Bij veel behandelingen is het nodig dat medicijnen langdurig via de bloedbaan worden toegediend. Door een centraal veneuze katheter (ook wel CVC genoemd) in te brengen, is het mogelijk vloeistoffen via de bloedbaan toe te dienen. Vaak is het ook mogelijk de katheter te gebruiken om bloed af te nemen. De katheter blijft meestal zitten tot de behandeling is afgelopen.
Een veneuze katheter is een kunststof (polyurethaan of siliconenrubber) slangetje dat in een bloedvat (ader, officieel 'vene'
genoemd) is ingebracht. Een perifere katheter (wordt ook wel gewoon 'infuus' genoemd) ligt in een klein bloedvat van de arm
of het been. Een perifere katheter moet in de praktijk regelmatig vervangen worden (opnieuw geprikt) omdat er makkelijk ontstekingen
ontstaan, en deze is ook niet geschikt voor het toedienen van zeer geconcentreerde vloeistoffen zoals intraveneuze voeding
(
dia 1 en
2). Een centraal veneuze katheter ligt, anders dan een perifere katheter, in een veel groter bloedvat, meestal onder het sleutelbeen
of in de lies (
dia 3). Het voordeel van een centraal veneuze katheter is dat deze in principe (afhankelijk van het type) onbeperkt kan blijven
zitten. Ook heeft een patiënt er veel meer bewegingsvrijheid mee.
'Centraal veneuze katheter' is een algemene benaming voor verschillende soorten katheters. Het uiteinde van de katheter kan uit een enkel-, dubbel- of driewegtoegangskanaal bestaan.
Dia 4 geeft een katheter weer. De katheter heeft aan de kant die zich buiten het lichaam bevindt aansluitpunten met schroefdraad.
Hierop zitten afsluitdopjes. Wanneer de afsluitdopjes worden verwijderd, kan er een infuus of spuit op de katheter worden
aangesloten. Op elk toegangskanaal zit een afsluitklem om de katheter open en dicht te zetten. Soms wordt een speciale katheter
ingebracht die op de plaats waar de katheter naar binnen gaat, nog een extra verdikking van pluizig materiaal heeft, de 'cuff'
(
dia 4). Deze cuff zorgt ervoor dat de katheter op zijn plaats blijft zitten en voorkomt dat bacteriën langs de katheter naar binnen
komen. Een nadeel van zo'n cuff is echter dat het wat moeilijker is om hem weer te verwijderen. Als er een katheter zonder
cuff wordt geplaatst, wordt de plek waar deze de huid verlaat, vastgezet met een hechting.
In het UMCG wordt op de afdeling Hematologie de centraal veneuze katheter meestal ingebracht op de behandelkamer van de afdeling, onder plaatselijke verdoving. Deze ingreep duurt ongeveer een half uur tot een uur. De patiënt komt op een operatietafel te liggen met een opgerolde handdoek tussen de schouderbladen. Rondom de inbrengplaats wordt de huid schoongemaakt met een desinfecterend middel. Daarna wordt het gebied afgedekt met steriele doeken. Om het bloedvat onder het sleutelbeen makkelijk te kunnen aanprikken, wordt de tafel zo gekanteld dat de voeten hoger komen te liggen dan het hoofd.
Een enkele keer kan het gebeuren dat tijdens het inbrengen van de katheter lucht achter de long komt. Daarom wordt altijd meteen na het plaatsen van de katheter een foto gemaakt op de röntgenafdeling. Daarop is te zien of er een lek in de long is ontstaan (zogenaamde 'pneumothorax') en ook kan de arts bekijken of de katheter verder goed in de ader ligt. Mocht er een lek zijn opgetreden, dan is het meestal zo klein dat het gaatje vanzelf sluit. Een enkele keer echter moet de lekkende lucht worden afgezogen. Dit gebeurt door middel van een drain die door de longarts wordt ingebracht in de borstholte.
Na het plaatsen van de katheter kan het zijn dat er wat bloed langs de insteekopening sijpelt. Dit bloeden is niet erg en stopt vanzelf.
De katheter is aan de huid gehecht. Deze hechtingen worden na 7 tot 12 dagen verwijderd. Het wondje en het gebied bij de insteekopening kunnen de eerste dagen gevoelig zijn.
De katheter kan direct na het inbrengen worden gebruikt voor transfusies van bloed of bloedplaatjes en voor het toedienen van medicijnen zoals cytostatica, antibiotica en intraveneuze voeding. Ook kan de katheter worden gebruikt voor het afnemen van bloed.
Als de katheter niet wordt gebruikt, spuit de verpleegkundige er een heparineoplossing in. Dit voorkomt dat de katheter verstopt raakt door een bloedstolsel. De verpleegkundige sluit de katheter af met een stopje.
Als de katheter voor langere tijd niet wordt gebruikt, is het nodig deze door te spuiten met een heparineoplossing. Dit gebeurt eenmaal per week of eenmaal per vier weken, afhankelijk van het type katheter dat is ingebracht.
In principe kunnen katheters gemaakt van siliconen met een cuff als extra bescherming maanden tot zelfs meer dan een jaar blijven zitten.
Na het inbrengen verzorgt de verpleegkundige de insteekopening van de katheter. Dit gebeurt de eerste dagen vaak twee keer per dag. Later volstaat één keer per dag. Deze verzorging is erg belangrijk om te voorkomen dat er een infectie optreedt vanuit de huid naar binnen. Pijn of roodheid rond de insteekopening zijn beginsignalen van zo'n infectie en verdienen extra aandacht.
Soms is het mogelijk – afhankelijk van het type katheter – dat de patiënt uit het ziekenhuis wordt ontslagen terwijl hij of zij nog een katheter draagt. In dat geval worden de patiënt en diens partner of een ander familielid nauwgezet geïnstrueerd hoe ze deze zelf dienen te verzorgen.
Een patiënt die een katheter heeft, hoeft zichzelf geen beperkingen op te leggen bij normale activiteiten. Na een paar dagen is het bovendien toegestaan weer te douchen of baden.