Acute leukemie: diagnostiek en algemene maatregelen van behandeling

Datum laatste herziening: 23-03-2011

Diagnostisch onderzoek

Bij opname/diagnose

Tijdens aplastische fase

Algemene therapeutische maatregelen

Specifieke problemen

Koorts

Tumorlysissyndroom

Diagnose acute leukemie

WHO-classificatie

FAB-classificatie

Literatuur

Verwante pagina's

Labaanvraagformulieren

Diagnostisch onderzoek

Bij opname/diagnose

Tijdens aplastische fase

Bovengenoemde onderzoeken herhalen:

*:dagelijks tot 3x per week
**:2x per week, op indicatie evt. vaker
***:1x per week, op indicatie 2x per week
#: herhalen tijdens SDD indien afwijkend, tot negatief worden

Algemene therapeutische maatregelen

  1. Inbrengen centrale veneuze lijn (subclaviacatheter met of zonder cuff),
    let op adequate stolling (Tr > 30x109/l, geen DIS, PT en APTT normaal),
    controle X-thorax min. 1 uur na inbrengen;
  2. hydratie: standaard 2 liter NaCl 0,9% of glucose-zout per 24 uur, op indicatie één of meer liters extra; per liter
  3. Allopurinol 100-300 mg dd p.o. tot voldoende reductie van tumor load; aanpassen bij gestoorde nierfunctie!; bij nierfunctiestoornissen en hoog urinezuur rasburicase overwegen.
    bij allergie voor allopurinol, indien profylacticum echt nodig is: Desuric 100 mg dd; of rasburicase (Fasturtec®);
    De producent adviseert rasburicase 0,20 mg/kg IV gedurende (max.) 7 dagen. De ervaring leert dat een eenmalige gift van 0,05 – 0,10 mg/kg meestal voldoende is;
  4. antiemetica:
  5. antibiotische profylaxe: SDD; Onderdeel van de profylaxe is bloedafname voor galactomannanbepaling 1-2 x per week, evt extra bij (persisterende) koorts en klinische verdenking schimmelinfectie.
  6. vrouwen in fertiele leeftijd: Primolut 5 – 10 mg dd;
  7. bij hoge dosis cytarabine ≥ 1000 mg/12 h: hypromellose oogdruppels;
    bij onvoldoende effect: decadron oogdruppels;
  8. bij leuko's > 100x109/l : PM oogfundus en bloedgassen (let op: vals lage pO2 door consumptie O2 in vitro);
  9. geen suppositoria, niet rectaal temperaturen;
  10. trombocytentransfusies (zie ook 'Richtlijnen voor transfusie'):
  11. bij ernstige, niet-infectieuze diarree: loperamide 4 mg, bij elke volgende diarree 2 mg extra, max. 4-6 x dd;
  12. bij pijn:
  13. bij hevige mucositis en slikproblemen: morfine 20-80 mg dd continu intraveneus via pomp of fentanylpleisters (12.5-25 mg);
  14. voeding: tijdens aplasie bacterie-arm, w.o. geen rauwkost, geen ongeschild of beschadigd fruit, alleen vers eten, geen peper (aspergillus!); geen kraanwater;
    bij onvoldoende voeding: TPN; ook bij TPN zo mogelijk wat per os bijvoeden (zou o.a. translocatie van bacteriën uit de darm en derhalve risico op infectie verminderen);
  15. geen bloemen;
  16. isolatiekamer:

Specifieke problemen

Koorts

Definitie: axillaire temperatuur ≥38,5° C of gedurende 24 uur ≥38° C

Tumorlysissyndroom

Kenmerken

Bij massale lysis van maligne cellen, soms spontaan maar meestal o.i.v. therapie, kan er een acute stijging optreden van urinezuur, serumkalium en -fosfaat, leidend tot neerslaan van urinezuur en calciumfosfaat met obstructie van urinewegen en daling van serumcalcium. Dit kan fataal verlopende overvulling en hartritmestoornissen veroorzaken, vooral bij reeds vooraf bestaande nierfunctiestoornissen (dehydratie, hyperuricemie, tumorspecifieke factoren, ...).
Een verhoogd risico op cellysissyndroom treedt vooral op bij:

Behandeling

Diagnose acute leukemie

Diagnose wordt gesteld op basis van de beenmergcytologie en cytochemische kleuringen, in combinatie met bloedbeeld, beenmerghistologie (m.n. bij dry tap), immunofenotypering en chromosomaal onderzoek

Voor subtypering van acute myeloïde leukemie (AML) wordt de WHO-classificatie gebruikt. De FAB-indeling wordt als verouderd beschouwd en wordt hier alleen zijdelings vermeld, o.a. om eventueel oude studies te kunnen plaatsen.

WHO-classificatie

Voor de diagnose AML zijn 20% blasten# in bloed of beenmerg voldoende (zodat de entiteit MDS, type RAEB-t, uit de FAB-classificatie vervalt); bij >50% erytropoiese wordt het aantal blasten geteld binnen de 'niet-erytroïde' component; voor subtypering wordt rekening gehouden met de bekende prognostische parameters, in de eerste plaats chromosoomafwijkingen, en vervolgens tekenen van dysplasie en eerder cytostaticagebruik; voor de resterende AML's blijft een soort FAB-classificatie over:

# Bij de beelden met de gunstige recurrent cytogenetic afwijkingen uit de eerste groep – t(8;21), t(15;17) of inv(16) – wordt bij elk % blasten, ook <20% de diagnose AML gesteld.

PM. Naast genoemde afwijkingen zijn er nog vele andere en complexe chromosomale afwijkingen met ongunstige prognose. Daarnaast worden er meer en meer genmutaties bekend die eveneens prognostische betekenis hebben, waaronder nucleophosmin (NPM) vnl. bij patiënten zonder chromosomale afwijkingen, mutaties in CKIT bij t(8;21) en inv(16) en mutaties in CEPBA.

Schema myeloïde antigene markers zoals opgesteld door laboratorium immunologie van het Erasmus MC

FAB-classificatie

De belangrijkste verschillen met de WHO zijn dat de FAB uitsluitend gebaseerd is op morfologie en immunofenotypering en dat voor de diagnose AML ≥30% myeloïde blasten (>3% peroxidase positief, Auerstaafjes) nodig zijn. Zoals gemeld ontstaat daardoor een aparte groep van patiënten met 20 tot 30% blasten, geduid als MDS, sybtype RAEB-t.

M0blasten zonder korrels, peroxidase en/of Sudan black neg. maar te herkennen als myeloïd in de immunofenotypering;
M1AML zonder uitrijping: monomorf beeld met > 80% blasten, waarvan min. 3% peroxidase +;
M2AML met uitrijping: naast min. 30% blasten is er myeloïde uitrijping tot voorbij het stadium van promyelocyten;
M2EoM2 met > 15% eosinofielen in beenmerg (niet in bloed), Auerstaven vaak ook in rijpe granulo's; correleert o.a. met t(8;21), i.e. AML1-ETO transcript; relatief goede prognose, mits leuko's <10x109/l en geen FLT3-mutatie);
M3promyelocytenleukemie: bij uitzondering weinig blasten maar bijna uitsluitend (pro-) myelocyten, hypergranulatie en cellen met 'takkenbossen' (Eng. 'faggots') van Auerstaven; correleert met fibrinolyse of DIS en (meestal) met t(15;17), i.e. PML-RARA fusiegen; vertoont differentiatie o.i.v. vitA-derivaat (ATRA); goede prognose, mits initiële bloedingsproblemen onder controle blijven;
M3vartweelobbige, monocyt-achtige kernen, geringe of afwezige granulatie in MGG maar sterk peroxidase +, (h)erkend als variant promyelocyten door aanwezigheid van t(15;17); biologisch zelfde gegrag als M3;
M4myelomonocytenleukemie: heterogeen beeld met twee subpopulaties, nl > 30% myeloïde cellen en in bloed of beenmerg > 20% monocytoïde cellen, of in bloed > 5x109/L monocytoïde cellen;
M4EoM4 met kenmerkende, abnormale eosinofielen in beenmerg (niet in bloed); correleert met inv(16) of t(16;16), i.e. CBFB-MYH11 transcript; goede prognose;
M5monocytenleukemie, te onderscheiden in M5A, monoblastenleukemie, en M5B, met wat rijpere monocytaire cellen;
M6 erytroleukemie: > 50% erytroïde voorlopercellen, liefst erg dysplastisch, terwijl van de resterende, niet-erytroïde cellen > 30% myeloblasten zijn;
M7megakaryoblastenleukemie: megakaryoblastair karakter wordt bevestigd in immunofenotypering.

Voor de acute lymfatische leukemie (ALL)) is de immunofenotypering van primordiaal belang. De oude indeling in L1 tot L3 op basis van het morfologisch aspect van de blasten wordt niet meer gebruikt. De WHO-indeling volgt de immunologische indeling met B- en T-celfenotype; er wordt weinig onderscheid gemaakt tussen ALL en lymfoblastair lymfoom:

N.B.: ALL met matuur B-celfenotype (de oude 'L3') valt onder het Burkitt lymfoom/leukemie en wordt als zeer agressief type non-Hodgkin lymfoom behandeld.

Op basis van immunofenotypering wordt ALL verder onderverdeeld, wat vooral voor B-lineage ALL prognostische betekenis kan hebben (onrijper is ongunstiger):

Vaak is er bij ALL co-expressie van myeloïde merkers, m.n. CD13 en/of CD33, of lymfatische merkers als CD4 of CD19 bij AML, i.e. bifenotypische AL. Zeldzaam is een dubbelleukemie, opgebouwd uit twee klonen, een myeloïde en een lymfatische, of een B-lineage en een T-lineage kloon.

Lymfatische differentiatie antigene markers B/T-cel maligniteiten, volgens laboratorium immunologie Erasmus MC

Literatuur


VERWANTE PAGINA'S:
- Behandeling van acute myeloïde leukemie (AML)
- Behandeling van acute lymfatische leukemie (ALL)
- Profylaxe en behandeling van meningeale leukemie en meningeaal lymfoom
- Protocol toedienen cytostatica via een Ommayareservoir


LABAANVRAAGFORMULIEREN IN DEZE PAGINA:
- Bacteriologisch algemeen
- Beenmergonderzoek algemeen (cytologie, immuno, molec.diagn., overige)
- Beenmerg PA
- Bloed specieel hematologische bepalingen (cytologie, immuno, molec.diagn., overige)
- CMV
- Cytogenetica
- EBV
- HLA

Printerversie PrinterversieMail deze pagina Mail deze pagina


© UMCG  |   Disclaimer