Infectiepreventie/vaccinatie bij splenectomie en hyposplenisme

Datum laatste herziening: 07-04-2010

Inleiding

Profylaxe

1. Patiënteninformatie

2. Vaccinatie

3. Antibiotische profylaxe

Literatuur

Verwante pagina's

Links in deze pagina

Trial-info

Inleiding

Post splenectomie sepsis, OPSI (Overwhelming Post Splenectomy Infection) is een risico bij patiënten zonder of met een disfunctionele milt. Hierbij moet worden gedacht aan de volgende groepen patiënten:

Het absolute risico op een OPSI is 1-2%, 25 maal hoger dan bij patiënten met een functionele milt. De mortaliteitskans is zelfs 75 maal hoger. Het gaat daarbij met name om de volgende gekapselde bacteriën waarbij een snelle B-cel respons noodzakelijk is voor de productie van opsoniserende antistoffen:

Patiënten lopen ook een extra risico bij infectie met malaria en babesiose. In zeldzame gevallen, vooral na hondenbeten, kunnen ook ernstige infecties met Capnocytophaga canimorsus optreden.

Profylaxe

De profylaxe bij volwassenen zonder of met een disfunctionele milt bestaat uit drie pijlers:

  1. patiënteninformatie;
  2. vaccinatie;
  3. antibiotische profylaxe.

1. Patiënteninformatie

Patiënt en ook de huisarts dienen goed te worden geïnformeerd over het infectierisico. Ook na vaccinatie blijft dit risico verhoogd. Patiënten dienen dan ook geïnformeerd te worden over de beperkingen van vaccinatie om te voorkomen dat ten onrechte een te groot gevoel van veiligheid ontstaat. Uit onderzoek blijkt dat veel patiënten maar ook hun huisarts onvoldoende op de hoogte zijn en blijven. Herhaling van deze informatie op gezette tijden (tijdens pk controles) en in ontslagbrieven aan de huisarts is gewenst. Een schriftelijke informatie voor de patiënt zelf verdient aanbeveling (zie Patiënteninformatie)

2. Vaccinatie

Vaccins en immuunrespons

Polysacharidevaccins bestaan in principe uit de kapselsachariden van één of meerdere typen bacteriën. Zij geven kortdurende bescherming omdat ze thymus-onafhankelijke antigenen zijn en geen of nauwelijks een immunologisch geheugen opbouwen. Bij jonge kinderen (< 2 jaar) wordt er moeilijk een immuunrespons tegen deze polysacharide-antigenen opgewekt. Vaccinaties met polysacharidevaccins moeten regelmatig herhaald worden. Vaccinatie geeft 80%-90% bescherming.
Polysacharidevaccins zijn: Pneumovax 23 gericht tegen 23 verschillende pneumokokken-serotypes; Meningovax gericht tegen meningokokken serogroepen A en C; Mencevax gericht tegen meningokokken serogroepen A, C, Y, W-135.

Conjugaatvaccins bestaan uit een polysacharide deel dat chemisch gekoppeld is aan een dragereiwit. Het polysacharide deel zorgt voor de specifieke respons (antilichamen gericht tegen de kapselsachariden van de bacterie) en het dragereiwit zorgt voor een T-celrespons en een immunologisch geheugen. De conjugaatvaccins worden chemisch gesynthetiseerd en zijn tegen één serogroep gericht. Conjugaatvaccins kunnen gecombineerd (gemengd) worden tot een polyvalent vaccin. Na een volledige vaccinatie met een conjugaatvaccin gaat men vooralsnog uit van levenslange bescherming. Vaccinatie geeft 95% bescherming. Dit betreft dan slechts de serotypes welke in het betreffende conjugaatvaccin zitten. Voor pneumococcen biedt dit onvoldoende dekking (zie ook verderop).
Conjugaatvaccins zijn: Prevenar, het 7-valente conjugaat pneumokokkenvaccin; NeisVac-C gericht tegen meningokokken van serogroep C; Act-Hib gericht tegen H. influenzae type B.

Aanbevolen vaccinaties

De volgende vaccinaties worden aanbevolen:

  1. Pneumokokkenvaccinatie. Dit kan de kans op OPSI verkleinen, doch niet wegnemen.
  2. Haemophilus influenzae type B: Haemophilus influenzae type B (Act-Hib vaccin) voor patiënten die niet als kind tevoren zijn gevaccineerd. Er zijn geen data die een noodzaak tot revaccinatie ondersteunen.
  3. Meningokokken.

    Meningokokkengroepen
    Er zijn verschillende serogroepen meningokokken, waarvan A, B en C de belangrijkste zijn in Nederland. De incidentie van serogroep A meningokokken is laag in ons land (< 2%) maar endemisch in andere gebieden in de wereld. Groep B komt het meest voor (60%) en er is een toename in serogroep C. Mortaliteit t.g.v. meningokokkeninfectie is 10%. Voor de serogroepen A en C bestaan vaccins, voor serogroep B niet. Er zijn verschillende soorten vaccins tegen meningokokkeninfecties beschikbaar. Conjugaat meningokokkenvaccin C (NeisVac-C) is opgenomen in het Rijksvaccinatieprogramma en behoort tegenwoordig tot de standaardvaccinatie bij kinderen. Het polysacharide meningokokkenvaccin A en C (Meningovax) dat wordt gegeven aan reizigers naar endemische gebieden is kortwerkend, evenals het polysacharide meningokokkenvaccin dat de serogroepen A, C, Y en W-135 (Mencevax) bevat.

  4. Influenzavirus: jaarlijkse influenzavaccinatie.

3. Antibiotische profylaxe

Patiënten dienen te beschikken over een antibiotica-noodpakket dat zij terstond bij het optreden van koorts kunnen aanspreken. Dit noodpakket dient "op zak" te worden meegenomen. Ter dekking tegen pneumokokken en vooral tegen penicillinase producerende Haemophilus influenzae type B wordt geadviseerd:

Bij koorts uit de tropen moet uiteraard malaria door middel van bloedonderzoek uitgesloten worden.

Literatuur


VERWANTE PAGINA'S:
- Behandeling en preventie van infecties


LINKS IN DEZE PAGINA:
- http://bmj.bmjjournals.com/cgi/eletters/312/7028/4[...]
- Patiënteninformatie
- www.boerhaave-commissie.nl/syllabus/


TRIAL-INFO VOOR DEZE PAGINA:
Trial-onafhankelijk
   Patiënteninformatie: splenectomie, infectiepreventie, vaccinatie


Printerversie PrinterversieMail deze pagina Mail deze pagina


© UMCG  |   Disclaimer