Behandeling en preventie van infecties
Datum laatste herziening: 16-06-2010
Profylaxe en behandeling van infecties bij neutropenie
Enkele uitgangspunten van de behandeling:
Antibiotische profylaxe, uitgangspunten
Selectieve darmdecontaminatie (SDD), primair gericht op de preventie van Gramnegatieve infecties en gisteninfecties, bij:
- klinische patiënten met (naar verwachting) reversibele neutropenie, d.w.z. leuko's <1x 109/l en/of granulo's <0,5x 109/l, langer dan één week aanhoudend;
- neutropeniepatiënten die erg vatbaar blijken voor infecties en die recidiverend koorts hebben, ook bij kortere neutropenie (vb poliklinische CHOP-kuren) of irreversibele neutropenie (vb aplastische anemie);
- geselecteerde patiëntengroepen met ziektebeelden met bekende hoge infectievatbaarheid, vb HCL;
- verhoogde infectievatbaarheid, zelfs bij afwezigheid van neutropenie: GVHD, vooral bij behandeling met corticosteroïden.
PM: indien orale profylaxe niet mogelijk is, vb wegens mucositis, wordt in de klinische setting IV profylaxe gegeven
Aangepaste profylaxe, d.w.z. waarin de principes van de SDD niet integraal kunnen worden toegepast, bij:
- bepaalde patiëntengroepen waarbij m.n. Grampositieve infecties een (bijkomend) groot risico vormen: ernstige mucositis t.g.v. cytostatica, M. Kahler, CLL, allogene SCT;
- patiënten met risico op Pneumocystis jiroveci (vroeger carinii): allogene SCT, aplastische anemie, behandeling met purine-analoga, langdurig hooggedoseerde corticosteroïden of alemtuzumab.
Antivirale profylaxe voor:
- preventie van H. zoster bij autologe (3 maanden) en allogene (1 jaar) SCT;
- soms preventie van recidiverende H. simplex;
- preventie van DNA-virussen bij behandeling met alemtuzumab of purine-analoga;
- pre-emptief bij reactivatie van CMV bij allogene SCT, alemtuzumab.
Zie ook Infectiepreventie/vaccinatie bij splenectomie en hyposplenisme.
De verschillende behandelingsmodaliteiten en chemotherapieschema's met de daarbij passende SDD- of profylaxeschema’s zijn verwerkt in onderstaande tabel.

| SDD- + profylaxeschema's | Bacterieel | Viraal | Fungaal | PCP | Opmerkingen t.a.v. schema's |
|---|
| | Gram + | Gram – | HSV/VZV | CMV | Candida | IA | | |
|---|
| Alle leukemiekuren | + | + |
|
| + | # |
| cave invasieve aspergillose; pre-emptieve benadering nastreven betekent geen primaire profylaxe! |
| (V)SAA met ATG | + | + | + |
| + | # | + | minimaal doorzetten ttv. prednison e/o granulo's <1.0, evt. Zelitrex toevoegen 2dd250mg |
| MDS met granulopenie | + | + | (+) |
| + | # |
| als profylaxe overwegen, zeker als onderhoud na koortsperiode |
| MDS zonder diepe granulopenie | (+) | (+) | (+) |
| (+) |
|
| profylaxe ter overweging gezien dysfunctionele granulo's, zeker bij slijmvliesstoornissen |
| Cyclofosfamide mobilisatiekuur |
| + |
|
| + |
|
| doorzetten tot herstel granulopenie; geen gram+ profylaxe gezien weinig tot geen mucositis |
| ASCT | + | + | + |
| + |
|
| tot herstel granulopenie of langer bij mucositis, daarna nog 3 mnd Zelitrex 2dd250mg |
| Allogene SCT | + | + | + | # | + | # | + | bacteriële en anti-gist profylaxe ttv. granulopenie; myelo-ablatief: wekelijks X-thorax en GM als pre-emptieve benadering IA |
| Allogene SCT+ steroiden | + | + | + | # |
| + | + | Upfront profylaxe IA met voriconazol 2dd200mg (± 1uur voor of na maaltijd) of posaconazol 3dd200mg (ttv maaltijd zonder maagzuurremmers) wekelijks X-thorax en GM afname in dit kader, (eenmalig spiegelbepaling), CMV-PCR en EBV-PCR monitoring |
| Alemtuzumab |
|
| + | # | (+) | # | + | continu t/m 3 mnd na laatste gift, PM: CMV-PCR monitoring; indien reactivatie: switch naar valganciclovir 2dd900mg |
| Alemtuzumab+CHOP14 | (+) | (+) | + | + | + | # | + | valganciclovir upfront 1dd900mg als profylaxe vervangt Zelitrex, EBV-PCR monitoring na einde therapie gedurende 3-6 mnd |
| R-CHOP14 | (+) | (+) | + |
| (+) | # | + | continu; vlgs. Ho-84 tot 4 weken na laatste behandeling |
| ofatumumab-CHOP14 | + | + | + |
| (+) | # | + | Ho-98; continu t/m 4 wk na laatste gift |
| R-DHAP / R-VIM | + | + |
|
| + |
|
| tot herstel granulopenie |
| MBVP | (+) | (+) |
|
| (+) |
|
| aanbevolen, zeker bij gelijktijdig DXM gebruik |
| BMR | + | + | + |
| + |
|
| continu t/m 4 wk na laatste gift |
| 2-CDA / Pentostatine | (+) | (+) | + |
| + | # | + | continu tot CD4>200, antibacteriële dekking bij granulopenie |
| FC, RFC of (R)FCM | (+) | (+) | + |
| (+) | # | + | continu t/m 3 maanden na stoppen fludara; bij recidiverende/langdurige neutropenie ook antibacteriele en antigist dekking |
| FCA | (+) | (+) | + | # | + | # | + | continu t/m 3 mnd na laatste gift, PM: CMV-monitoring; indien reactivatie: switch naar valganciclovir 2dd900mg |
| BDR | (+) | (+) | + |
| + | # |
| continu t/m 4 wk na laatste gift |
| Bortezomib |
|
| + |
|
|
|
| continu t/m 4 wk na laatste gift |
| Bortezomib+DXM | (+) | (+) | + |
| + | # |
| continu t/m 4 wk na laatste gift |
| Bortezomib+lenalidomide + DXM | (+) | (+) | + |
| + | # |
| voorschrift Ho-86 protocol, anders secundaire profylaxe aanbevolen, primaire profylaxe bij granulopenie |
| REMM-studie | + | + | + |
| + | # |
| continu t/m 4 wk na laatste gift |
| PAD | + | + | + |
| (+) |
|
| tot herstel granulopenie |
| VAD en TAD | + | + |
|
| (+) |
|
| tot herstel granulopenie |
| mini-BEAM | + | + |
|
| + |
|
| tot herstel granulopenie |
| Uitleg symbolen: | |
|---|
| + | SDD/profylaxe geven |
| (+) | SDD/profylaxe (bij granulopenie, evt. secundaire profylaxe) te overwegen |
| # | pre-emptieve benadering; eventuele pre-emptieve behandeling bij positieve argumenten |
| Uitleg afkortingen: | |
|---|
| HSV = | Herpes Simplex Virus |
| VZV = | Varicella Zoster Virus |
| CMV = | Cytomegalo Virus |
| IA = | Invasieve Aspergillose |
| PCP = | Pneumocystis Jiroveci |
| (V)SAA = | (Very) Severe Aplastic Anemia |
| ASCT = | Autologe Stamceltransplantatie |
| DXM = | Dexamethason |
| GM = | Galactomannan; bestanddeel van de aspergillus celwand |
| BMR = | Bendamustine+Mitoxantrone+Rituximab (refract. Laaggradig NHL - MCL) |
| FCA = | Fludara+Cyclo+Alemtuzumab |
| BDR = | Bortezomib+DXM+Rituximab (M Waldenstrom) |
| REMM = | Bortezomib+Endoxan+DXM |
Interventietherapie bij koorts, algemeen
- Axillaire temperatuur ≥38,5° C, of gedurende 24 uur >38° C, die niet kan verklaard worden als drug fever of transfusiereactie, is indicatie voor empirische start met intraveneuze breed-spectrum antibiotica.
PM. Bij corticosteroïdengebruik laagdrempelig starten, vb >38° C, omdat temperatuur gedrukt wordt. - Voor poliklinische patiënten met koorts is een verhoogde IL-8 in het serum een goede indicator voor de noodzaak van empirische antibiotische behandeling: als de IL-8 bij presentatie of 12-24 uur later <60 ng/l bedraagt, is een expectatief beleid verantwoord.
- Bij respons wordt de behandeling voortgezet tot de patiënt 5 dagen tempvrij is (i.e. <37.5°C) als de neutropenie persisteert, of 2 dagen tempvrij als regeneratie plaats vindt; respons treedt op binnen 3 tot 5 dagen.
- Tijdens systemische therapie wordt de orale 'profylaxe' (SDD) voortgezet met het doel resistentievorming tegen antibiotica in het bacteriereservoir in de darm te voorkomen; IV profylaxe wordt wel onderbroken voor de duur van de systemische behandeling.
- Bij persisterende koorts wordt de interventie uitgebreid op basis van klinische en microbiologische bevindingen; in principe wordt snel gestart met antischimmeltherapie, i.e. na 4-5 dagen koorts of eerder als er pulmonale afwijkingen gezien worden bij beeldvormend onderzoek, c.q. galactomannantest.
PM neutropene patiënten die indicatie hebben voor antischimmeltherapie, worden in principe geïncludeerd in de ZonMW-studie, waarin de waarde van spiegelmetingen van voriconazol voor de behandeling van schimmelinfecties wordt onderzocht. Onderdeel hiervan is een goede diagnostiek door middel van metingen van o.a. galactomannan en HR-CT van de thorax. - Ook bij uitbreiding van de therapie, vb met teicoplanin/vancomycine bij lijninfectie, wordt een eenmaal gestarte behandeling met breed-spectrum antibiotica gecontinueerd tot 7 dagen, m.n. als een mogelijke menginfectie niet is uitgesloten.
- Er is geen indicatie voor behandeling op empirische gronden met glycopeptiden (vancomycine en teicoplanin); wel indicatie voor deze middelen zijn: infectie met coagulase-negatieve stafylococcen of corynebacteriën, klinische infectie van centrale lijn.
- De empirische behandeling kan worden aangepast aan de resultaten van de kweken en voortschrijdend klinisch inzicht in de oorzaken van de koorts/infectie. Bedenk echter dat er mogelijk andere, (nog) niet geïsoleerde verwekkers terzelfdertijd kunnen optreden.
Selectieve darmdecontaminatie (SDD): uitvoering
Starten bij opname.
Inventarisatiekweken:
- bij opname: feces, keel, neus (m.n. carrier voor S. aureus), urine, vagina
- 2x per week herhalen tot kweken schoon zijn, daarna 1x per week feces- en keelkweek voor de duur van de neutropenie

| Antibacteriële middelen (opties) | Antischimmelmiddelen (opties) |
|---|
| Tegen Gramnegatieven (GN) | Tegen gisten en (deels) schimmels |
|---|
Eerste keuze, m.n.intensieve AML-behandeling: Co-trimoxazol1,2 3x dd 960 mg + colistine1 4x dd 200 mg | Eerste keuze bij intensieve chemotherapie5: Fungizone suspensie 4x dd 5 ml (= 500 mg) of fungizone tab 4x500 mg + fungiline 4x10 mg dd |
Alternatieven:
- Ciprofloxacin 2x dd 500 mg
- Tobramycine 4 x dd 100 mg (per os!)
| Alternatieven bij slechte tolerantie/compliance5:
- Nystatine suspensie 3x dd 15 ml
- Fluconazol 150 mg (caps) 1x dd
|
|
| Secundaire profylaxe bij doorgemaakte aspergillose of specifiek tegen filamenteuze schimmels gerichte profylaxe5:
- Voriconazol 2x dd 200 mg (caps) 1 h na maaltijd
- GVHD: posaconazol 3x dd 200 mg (5 ml) met voeding, geen zuurremmers
|
| Tegen Grampositieven (GP) | |
|---|
| Penicilline G 4x dd 1.000.000 E IV3 ged. 2 weken aansluitend op intensieve chemotherapie (= periode van mucositis) |
|
| Amoxycilline 3 x dd 500 mg po3,4 |
|
| Indien orale behandeling niet mogelijk is | |
|---|
| Co-Trimoxazol IV 2-3x dd 960 mg IV |
|
| Ciprofloxacin IV 2x dd 200 mg + penicilline G 4x dd 1.000.000 E IV |
|
1. SDD tarten met de combinatie co-trimoxazol en colistine wegens de trage werking en kans op resistentie van co-trimoxazol bij monotherapie; na negatief worden van de surveillancekweken één middel staken, afhankelijk van de gevoeligheid van de oorspronkelijke flora; co-trimoxazol heeft het voordeel van een systemisch effect (maar ook sytemische bijwerkingen, o.a. rash); colistine veroorzaakt soms ernstige GI klachten. 2. Na negatief worden van de surveillancekweken, dosering reduceren evt. tot 2x dd 960 mg. 3. Bij systemische antibiotische interventie t.g.v koorts wordt dit gestaakt. 4. Ter vervanging van penicilline G bij patiënten die geen infuus nodig hebben. 5. Antischimmelprofylaxe: fungizone oraal heeft (nog steeds) de voorkeur omdat het de breedste werking heeft tegen gisten en omdat het niet interfereert met andere medicamenten, daar het niet geresorbeerd wordt. Dit vraagt soms enige overredingskracht. Bij intolerantie kan nystatine om dezelfde redenen gegeven worden. Van de azolen wordt fluconazol het best verdragen maar het heeft ook het smalste spectrum (vnl C. albicans); waarschijnlijk is het veelvuldig profylactisch gebruik van fluconazol verantwoordelijk voor de toename van non-albicanssoorten. Voriconazol en posaconazol hebben activiteit tegen meer gistsoorten en tegen filamenteuze schimmels. Deze middelen verdringen itraconazol wegens breder spectrum en betere tolerantie.
PM. Profylaxe PCP:
- Co-trimoxazol 2x p.wk. (vb op zaterdag en zondag) 2x dd 960 mg;
- bij allergie/intolerantie: 1x p.mnd pentamidine inhalatie 300 mg (afspraak functiecentrum longziekten/allergologie)
|
Empirische behandeling van febriele neutropenie

- Bij allergie voor penicillinederivaten: ceftazidime (Fortum®) 3x 2 gr dd IV.
- Bij (ernstige verdenking op) infectie met Pseudomonas aeruginosa: combinatietherapie, d.w.z. Tazocin combineren met tobramycine 3-4 mg/kg dd (= 240-320 mg in één gift), aanpassing aan spiegels, of ciprofloxacin 2x dd 750 mg IV.
- Alternatief voor Tazocin: meropenem (Meronem) 3x 2 gr dd IV.
- Patiënt waarbij tijdens piperacilline/tazobactam gebruik een indicatie optreedt voor Teicoplanin: 7-daagse kuur piperacilline/tazobactam afmaken (mogelijkheid van menginfectie); onafhankelijk hiervan teicoplanin geven volgens 5).
- Bij infectie van katheters met dubbel lumen infusie van antibiotica over wisselende lumina.
- Bij infectie met Gramnegatieven, S aureus of candida: zo mogelijk lijn verwijderen.
- Duur van teicoplaninbehandeling bij geïnfecteerde lijn of trombus hangt af van omstandigheden en moet soms doorgezet worden voor de duur van de aplasie. Bij persisterende koorts moet evenwel regelmatig (een eerste keer na 7 dagen) worden geëvalueerd in hoeverre er nog steeds sprake is van infectie en of de teicoplanin niet kan worden gestaakt.
- Bij abdominale infectie of infectie van de mondbodem: overweeg metronidazol (Flagyl) 3x 500 mg dd IV.
- Pneumocystis jiroveci (carinii):
Co-trimoxazol 90-120 mg/kg/d, verdeeld over 3 giften, x 14; i.v.m. vochtbelasting evt. deels IV, deels oraal
+ prednison 1 mg/kg/d x 10, daarna taperen.
Alternatieven bij intolerantie voor of geen respons op co-trimoxazol:
- Clindamycine 3x 600 mg dd IV (of 4x 300-450 mg dd p.o.
- Trimetoprim 3x 5 mg/kg/d p.o.
+ dapsone 100 mg/d p.o. - (pentamidine 4 mg/kg/d IV x 14, toxisch)
- Antischimmeltherapie: in principe wordt snel gestart met antischimmeltherapie, i.e. na 4-5 dagen koorts, of eerder, als er pulmonale afwijkingen gezien worden bij beeldvormend onderzoek.
Antischimmeltherapie

| Medicament | Indicatie | Dosering | Voorzorgen/opmerkingen |
|---|
| Amfotericine B |
|
| Obsoleet geworden. |
Abelcet Ambisome | Infectie met filamenteuze schimmel ('moulds') en gisten ('yeasts'), samen ('fungi') | 3-5 mg/kg/d in 1 uur via perifeer of centraal infuus | Lipide-suspensies minder toxisch, m.n. voor nieren, maar niet echt effectiever.
- Bij koorts/ koude rillingen: pethidine 25 mg in infuus.
- Controleer en suppleer K+
- Minder of niet gevoelig: C lusitaniae, C guilliermondii, Asp terreus, fusarium spp, scedosoprium spp
Nadeel vooral van Ambisome is de prijs. |
5-flucytosine (5FC, Ancotil) | Niet als monotherapie maar synergisme met andere middelen, m.n. tegen gisten, mogelijk tegen filamenteuze schimmels | 150(-200) mg/kg in 4 giften; om volume te reduceren 50% van de dosis oraal; overdosering geeft beenmergsuppressie | Wordt nog slechts zelden toegepast. |
Fluconazol (Diflucan) |
- Bewezen systemische infectie met fluconazol-gevoelige gistsoort
- Mucositis waardoor orale profylaxe met fungizone niet mogelijk is (m.n. bij C. albicans in surveillancekweken)
- Intolerantie voor fungizone; let op induceren resistentie bij profylaxe met fluconazol
| (Minimaal) 400 mg/d in 1 of 2 giften (vaak hoger doseren, soms (kortdurend) tot 1600 mg/d); bij orgaanaantasting (lever, long, skelet, oog, ...) is min. 6 weken behandeling nodig. | Gemakkelijk hanteerbaar anti-gistenmiddel, m.n. bij C albicans en C parapsilosis; zowel p.o. als iv; resistentievorming wordt een probleem; C. kruzei en glabrata zijn van nature resistent; interacties met andere geneesmiddelen kunnen optreden maar zijn in het algemeen minder ernstig dan bij andere azolen; mogelijk meer specifiek voor fluconazol zijn orale antidiabetica waarvan de werking versterkt wordt; levertoxiciteit is mogelijk. |
Voriconazol (Vfend) | Azole met breed spectrum, w.o. enig effect tegen Fusarium en Scedosporium;
- dankzij goede wetenschappelijke onderbouwing thans 1ste keuze bij schimmelinfecties;
- profylaxe, m.n. secundair bij neutropene patiënten die eerder een schimmelinfectie doormaakten
| 2x 6 mg/kg dag 1 IV 2x 4 mg/kg dag IV volgende 5-7 dagen, daarna zo mogelijk p.o. | Beïnvloedt farmacokinetiek van andere medicamenten door interferentie met het cytochroom oxidase P450 in de lever; belangrijk in dit opzicht zijn o.a. ciclosporine, rifampicine, digoxine, vincristine, orale anticoagulantia, anti-HIV proteaseremmers; midazolam (Dormicum) en HMG-CoA-reductase-remmers mogen zelfs niet gelijktijdig gebruikt worden; iets duurder; IV cyclodextrine kan stapelen bij gestoorde nierfunctie; zygomyceten zijn resistent. |
Posaconazol (Noxafil) | Azole met ook enige activiteit tegen zygomyceten en fusaria;
- profylaxe, m.n. secundair bij neutropene patiënten die eerder een schimmelinfectie doormaakten;
- profylaxe bij GVHD
| Profylaxe: 3x dd 200 mg (5 ml) Therapie: 2x dd 400 mg (10 ml) tijdens maaltijd (geen zuurremmers !), ook toegestaan 4x 200 mg | Alleen als orale suspensie; minder druginteracties; studies vooral voor profylactisch gebruik. |
[Itraconazol (Trisporal)] |
| Dag 1-4: 3 dd 200 mg p.o.; daarna 2 dd 200 mg | Door komst van nieuwere en betere azolen minder gebruikt. |
Caspofungin (Candidas) | Gisten- en schimmelinfecties. Lijkt zeer geschikt voor combinatietherapie maar nog geen klinische studies. | 70 mg IV dag 1 daarna 50 mg dd IV; gewicht >80 kg; doorgaan 70 mg dd; leverfunctiestoornissen: van 2-de dag af 35 mg | Behoort tot chemische groep der echinocandines; weinig interacties maar wel met ciclosporine; prijzig; alleen IV. |
Anidulafungin (Ecalta) | Nieuwer echinocandine met (nog) minder interacties | 200 mg IV dag 1 daarna 100 mg dd IV | Alleen IV |
Richtlijnen voor de praktijk
De belangrijkste bovengenoemde systemische antischimmelmedicijnen kunnen ingedeeld worden in drie klassen: polyenen, waartoe amphoterine en zijn lipideformuleringen behoren, (tri-)azolen en echinocandines, m.n. caspofungin en anidulafungin. De keuze voor behandeling is afhankelijk van:
- het risico op invasieve fungusinfectie (IFI), bewezen (proven), vermoedelijk (probable) of mogelijk (possible)
- de verwekker
- type van antischimmelprofylaxe, m.n. of en, zo ja, welk azole gebruikt is
- (in zekere mate ook) de prijs
Vaak is het moeilijk een IFI te bewijzen en wordt gestart met antischimmeltherapie op empirische gronden, nl persisterende koorts ondanks breed-spectrum antibacteriële middelen. In principe moet de beslissing tot wel of niet starten van antischimmeltherapie tegenwoordig gebaseerd worden op hardere criteria, nl HR-CT en galactomannantest, d.w.z. 'pre-emptieve' behandeling (zie algoritme).
Gezien het (potentiële) gevaar van een schimmelinfectie bij de neutropene patiënt wordt in principe gestart met IV oplading om snel een therapeutische spiegel te bereiken en zeker te zijn van optimale penetratie in de infectiehaard. Na enkele dagen wordt, indien mogelijk, overgestapt op orale behandeling, mede om de kosten te drukken.
Waar mogelijk, wordt de patiënt geïncludeerd in de ZonMW-studie naar de waarde van spiegelmetingen van voriconazol bij de behandeling van IFI's.
- Indien geen profylaxe, oraal fungizone (niet geresorbeerd) of fluconazol (beperkt spectrum)
en
- onbekende verwekker maar ernstige verdenking (= proven of probable IFI, vb radiologische afwijkingen in de longen): voriconazol eerste keuze
- cerebrale schimmelinfectie: Ambisome, in overleg evt in combinatie met voriconazol
- systemische infectie met gevoelige candidasoort, i.e. Candida albicans of C parapsilosis: fluconazol (zo niet: voriconazol, zie boven)
- mucormycose: abelcet, tweede keuze: posaconazol
- fusaria, Scedosporium apiospermim: voriconazol of posaconazol
PM: mucormycose is harde indicatie voor chirurgisch ingrijpen
- Indien profylaxe met andere azolen (itraconazol, voriconazol, posaconazol)
en
- vermoedelijk 'mould'-infectie: abelcet voorkeur boven caspofungin
- vermoedelijk gisteninfectie: caspofungin of abelcet
PM. als verwekker toch gevoelig blijkt voor azolen, in tweede instantie alsnog (oraal) azole. - Indien IV profylaxe met lage dosis amphotericine B ('ampho light')
Als onder A. en B.; lage dosis AmphoB lijkt niet te leiden tot resistentievorming, therapeutische dosering amphoB blijft mogelijk - Aanpassingen bij isoleren van verwekker, onvoldoende effect of intolerantie
- bij bekende verwekker wordt het beleid evident aangepast volgens het bekende gevoeligheidspatroon
- bij onvoldoende effect wordt het gegeven middel vervangen door een middel uit een andere klasse; combineren van middelen uit twee verschillende klassen is mogelijk en wordt meer en meer toegepast, ondanks afwezigheid van wetenschappelijke onderbouwing en kosten
- bij intolerantie of ernstige bijwerkingen wordt het gegeven middel eveneens vervangen door een middel uit een andere klasse
Algoritme bij verdenking schimmelinfectie, m.n. pulmonaal

Indeling schimmelinfecties volgens de Pauw et al.
(Clin Infect Dis 2008; 46: 1813-21.)
Criteria voor bewezen invasieve schimmelinfectie
Criteria voor bewezen (proven) invasieve schimmelinfectie (met uitzondering van endemische mycoses):*

| Schimmels (= molds) | Gisten (= yeasts) |
|---|
| Microscopie op steriel materiaal | Histopathologisch, cytopathologisch of direct microscopisch onderzoek van materiaal, verkregen door naaldaspiraat of biopsie, met daarin hyphen of melanine-bevattende gistachtige vormen, met tekenen van weefselschade | Histopathologisch, cytopathologisch of direct microscopisch onderzoek van materiaal, verkregen door naaldaspiraat of biopsie van een normaal steriele plaats (echter geen mucosae) met daarin gistcellen, vb Cryptococcus species o.b.v. ingekapselde knopvorming of Candida species o.b.v. pseudohyphen of echte hyphen |
| Kweek van steriel materiaal | Isolatie van een schimmel of een 'zwarte gist' uit kweek van op steriele wijze verkregen materiaal van een normaal steriele maar nu klinisch of radiologisch afwijkende plaats, wijzend op infectie, uitgezonderd BAL-vloeistof, sinusholte en urine | Isolatie van een gist uit kweek van een monster, op steriele wijze (inclusief van een vers geplaatste [<24 h] drain) verkregen uit een normaal steriele plaats, met nu klinisch of radiologische afwijkingen passend bij een infectieus proces |
| Bloed | Bloedkweek levert schimmels op (vb Fusarium species) in de context van een klinische verdenking van schimmelinfectie | Bloedkweek levert gisten op (vb Cryptococcus of Candida species) of gistachtige schimmels (vb Trichosporon species) |
| Serologisch analyse van CSF | Niet van toepassing | Cryptococcusantigeen in CSF betekent gedissemineerde cryptococcusinfectie |
* Er is een aparte indeling voor endemische mycoses, die echter in onze contreien nauwelijks voorkomen.
Criteria voor waarschijnlijke invasieve schimmelinfectie
Criteria voor waarschijnlijke (probable) invasieve schimmelinfectie (met uitzondering van endemische mycoses):*
Factoren bij de gastheer:
- Recente geschiedenis van neutropenie (<0.5×109/l gedurende minstens 10 dagen) in tijd samenhangend met het begin van de ziekte
- Ontvanger van een allogene stamceltransplantatie
- Langdurig corticosteroïdgebruik >0.3 mg/kg/d prednisone (of equivalent) ged. >3 weken (uitz. patiënten met allergische broncho-pulmonale aspergillose)
- Behandeling met T-celimmunosuppressiva als cyclosporine, TNF-α blockers, monoclonale antistoffen (vb alemtuzumab) of purine-analoga de laatste 90 dagen
- Erfelijke vormen van ernstige immunodeficiëntie (als chronische granulomateuze ziekte of severe combined immunodeficiency)
Klinische criteria:
- Schimmelinfectie van de onderste luchtwegen; aanwezigheid van minstens één van volgende 3 tekens op CT-scan:
- dense, welomschreven laesie(s) met of zonder halo-sign
- luchtsikkel (air-crescent sign)
- holte.
- Tracheobronchitis; tracheobronchiale ulceratie, nodus, pseudomembraan, plaque of korst, zichtbaar bij bronchoscopie
- Sinusinfectie; beeldvorming toont sinusitis plus minstens één van volgende 3 tekens:
- acute gelocaliseerde pijn (eventueel uitstralend naar het oog)
- nasaal ulcus met zwarte korst
- uitbreiding van de paranasale sinus door bot, vb in de orbita.
- CNS-infectie; eéén van de volgende 2 tekens:
- focale laesies bij beeldvorming
- meningeale aankleuring op MRI of CT
- Gedissemineerde candidiasis; minstens één van volgende 2 beelden, na een episode van candidemie in de voorbije 2 weken:
- kleine, schietschijfachtige abcessen (bull's-eye lesions) in lever of milt
- progressieve exudaten in de retina bij ophthalmologisch onderzoek.
Mycologische criteria:
- Directe testen (cytologie, directe microscopie of kweek); schimmel in sputum, BAL-vloeistof, bronchiale brush of sinusaspiraat, aangetoond door één van volgende:
- aanwezigheid van schimmelfragmenten passend bij filamenteuze schimmels
- positieve kweek voor schimmel (vb Aspergillus, Fusarium, Zygomycetes of Scedosporium species).
- Indirect testen (detectie van antigeen of celwandonderdelen)
- Aspergillose: galactomannanantigeen gedetecteerd in plasma, serum, BAL-vloeistof of liquor
- Invasieve fungusinfectie, anders dan cryptococcose en zygomycoses: β-D-glucan gedetecteerd in serum
* Er is een aparte indeling voor endemische mycoses, die echter in onze contreien nauwelijks voorkomen.
IL-8 risico-indeling voor poliklinische patiënt met koorts en neutropenie

Behandelingsprotocol
Standaard IV antibiotica: Tazocin 3 dd 4,5 gram iv
Orale antibiotica: Augmentin 3 dd 625 mg + 2 dd 500 mg ciprofloxacin
Referenties
- van der Waaij D. The colonisation resistance of the digestive tract in experimental animals and its consequences for infection prevention, acquisition of new bacteria and the prevention of spread of bacteria between cage mates. In: New Criteria for antimicrobial therapy: maintenance of digestive tract colonisation resistance. Eds Van der Waaij D, Verhoef J; Excerpta Medica ICS477, Amsterdam-Oxford; 43-53.
- Donnelly JP, Maschmeyer G, Daenen S. Selective oral antimicrobial prophylaxis for the prevention of infection in acute leukaemia – ciprofloxacin versus co-trimoxazole plus colistin. The EORTC Gnotobiotic Project Group. Eur J Cancer 1992; 28A: 873-8.
- Erjavec Z, de Vries-Hospres HG, Laseur M et al. A prospective, randomized, double-blinded, placebo-controlled trial of empirical teicoplanin in febrile neutropenia with persistent fever after imipenem monotherapy. J Antimicrob Chemother 2000; 45: 843-9.
- Oude Nijhuis C, Kamps WA, Daenen SM et al. Feasibility of withholding antibiotics in selected febrile neutropenic cancer patients. J Clin Oncol. 2005; 23: 7437-44.
- Herbrecht R, Denning R, Patterson DW et al. Voriconazole versus amphotericin B for primary therapy of invasive aspergillosis. N Engl J Med 2002; 347: 408-15.
- Maertens J, Theunissen K, Verhoef G et al. Galactomannan and computed tomography-based preemptive antifungal therapy inneutropenic patient sat high risk for fungal infection: a prospective feasibility study. Clin Infect Dis 2005; 41: 1242-50.
- De Pauw B, Walsh TJ, Donnelly JP, et al. Revised Definitions of Invasive Fungal Disease from the European Organization for Research and Treatment of Cancer/Invasive Fungal Infections Cooperative Group and the National Institute of Allergy and Infectious Diseases Mycoses Study Group (EORTC/MSG) Consensus Group. Clin Infect Dis 2008; 46: 1813-21.