Datum laatste herziening: 28-05-2009
Minimale diagnostische criteria voor MDS volgens de nieuwe WHO 2008-indeling
WHO-classificatie 2008 myelodysplastische syndromen (MDS)
Myelodysplastisch/myeloproliferatief syndroom
IPSS prognostische score voor MDS
Overleving voor IPSS risicogroepen
WPSS (WHO classification-based Prognostic Scoring System for MDS) prognostische score voor MDS
Myelodysplastisch syndroom (MDS) is gekenmerkt door cytopenie en dysplasie van één of meerdere cellijnen in het bloed:
I.t.t. tot de cytopenie in het bloed is het beenmerg meestal te celrijk. Fibrosering kan optreden. Bijkomende moeilijkheid is dat vele morfologische kenmerken van dysplasie kunnen voorkomen bij andere aandoeningen of door gebruik van medicamenten, m.n. cytostatica. Voor het stellen van de diagnose is dus nodig dat er geen aanwijsbare andere pathologie is. De tegenstelling tussen de cytopenie van het bloed en de celrijkdom van het beenmerg is een uiting van inefficiënte hematopoiese en toegenomen geprogrammeerde celdood in het beenmerg. In het bloed treedt echter normaliter bij MDS geen verhoogde afbraak van cellen op.
MDS heeft een heterogene presentatie en beloop. Soms is het beloop zeer chronisch met weinig klachten maar meestal zijn er klachten van anemie of van recidiverende infecties, een gevolg van functionele stoornissen van de granulocyten. Vele patiënten zijn transfusieafhankelijk. MDS komt vooral voor op hogere leeftijd maar kan ook bij jongeren optreden.
MDS bestaat uit een aantal klonale ziekten (of diverse stadia van één ziekte), vaak met typische chromosomale afwijkingen, te beschouwen als (pre-)maligne aandoening(en) met risico op evolutie naar AML. Behalve evolutie naar AML is de verhoogde infectievatbaarheid een frequente oorzaak van verkorte overleving. Formeel dient men te proberen onderscheid te maken tussen een 'echte' MDS en een vroeg stadium van AML, omdat dit implicaties kan hebben voor de behandeling. Enigszins arbitrair kan men stellen dat een MDS die in minder dan 6 maanden evolueert naar AML, klaarblijkelijk van het begin af een AML was.
Volgens de oude richtlijnen (FAB-classificatie) wordt de diagnose gesteld bij (niet anderszins te verklaren) cytopenie van ten minste 1 cellijn, met dysplasie in beenmerg of bloed in ten minste 2 cellijnen en minder dan 30% blasten in beenmerg of bloed. Volgens de nieuwe WHO-indeling 2001 is sprake van AML bij >20% blasten, waardoor de entiteit RAEB-t in de WHO-classificatie vervalt. Een andere zinvolle verandering in de WHO-indeling is de afsplitsing van de CMML, die nu ondergebracht wordt in de 'nieuwe' groep van myelodysplastische/myeloproliferatieve syndromen. Inmiddels is de WHO 2001-indeling vervangen door de WHO 2008-indeling. Hieronder staan de diagnostische criteria voor MDS volgens de WHO 2008-indeling.
A-criteria: beide aanwezig:
B-criteria: minstens één aanwezig:
Co-criteria: patiënten die voldoen aan A, maar niet aan B met typische kenmerken (bijvoorbeeld macrocytaire transfusieafhankelijke anemie):
| Type | Bloedbeeld | Beenmerg |
|---|---|---|
| RCUD | ||
| Refractaire cytopenie(en) met unilineaire dysplasie RA=refractaire anemie RT=refractaire trombopenie RN=refractaire neutropenie | cytopenie (1-2 reeksen) geen of slechts enkele blasten (<1%) | dysplasie (≥ 10%) in één reeks <5% blasten <15% ringsideroblasten |
| RARS | ||
| Refractaire anemie met ringsideroblasten | anemie, geen blasten (<1%) | ≥15% ringsideroblasten dysplasie alleen in rode reeks <5% blasten |
| RCMD | ||
| Refractaire cytopenie met multilineage dysplasie RCMD met ringsideroblasten | cytopenie(ën) in 1-3 reeksen geen of slechts enkele blasten geen Auerstaven <1x109/l monocyten | dysplasie (≥ 10%) in >1 reeks <5% blasten geen Auerstaven en ≥ 15% ringsideroblasten |
| RAEB-1 | ||
| Refractaire anemie met excess blasten-1 | cytopenie(ën) in 1-3 reeksen <5% blasten, geen Auerstaven, <1x109/l monocyten | dysplasie (1-3 reeksen), 5-9% blasten, geen Auerstaven |
| RAEB-2 | ||
| Refractaire anemie met excess blasten-2 | cytopenie(ën) in 1-3 reeksen 5-19% blasten, en/of Auerstaven <1x109/l monocyten | dysplasie (1-3 reeksen) 10-19% blasten en/of Auerstaven |
| MDS-U | ||
| Myelodysplastisch syndroom -unclassified | cytopenieën, geen of enkele blasten (≤1%) geen Auerstaven | cytopenie(en) met <10% dysplasie in 1 of meer cellijnen met een cytogenetische afwijking passend bij MDS <5% blasten |
| MDS-geassocieerd met een geïsoleerde del(5q) | ||
| anemie, meestal met normaal of verhoogd aantal trombocyten geen of enkele blasten (≤1%) | dysmegakaryopoiese (hypolobulaire megakaryocyten) < 5% blasten geen Auerstaven geïsoleerde del(5q) cytogenetische afwijking | |
| ICUS (voorlopige entiteit) | ||
| Idiopathic Cytopenia of Undetermined Significance | aanhoudende cytopenie (>6maanden) in 1 of meer reeksen, voldoet niet aan minimale diagnostische criteria voor MDS, kan niet verklaard worden door een andere hematologische aandoening | |
| Chronische myelomonocytaire leukemie (CMML) | aanhoudende monocytose in bloed >1 x 109/l <20% blasten in bloed (betreft: myeloblasten, monoblasten, promonocyten) | geen Philadelphia chromosoom of BCR-ABL geen translocatie met PDGFRA of PDGFRB <20% blasten dysplasie in 1 of meer reeksen (bij onvoldoende dysplasie kan clonale cytogenetische afwijking of monocytose > 3 maanden volstaan) |
| Atypische chronische myeloïde leukemie (aCML) | leucocytose (≥13 x 109 /l) met toegenomen aantal (>10%) myeloïde voorlopers geen basofilie (<2%) geen monocytose (<10%) <20% blasten | prominente dysgranulopoiese geen Philadelphia chromosoom of BCR-ABL geen translocatie met PDGFRA of PDGFRB hypercellulair beenmerg met granulocytaire proliferatie en granulocytaire dysplasie, eventueel met dysplasie in erytroïde en megakaryocytaire reeksen <20% blasten |
| Juveniele myelomonocytaire leukemie | monocytose >1x109/l, blasten <20%, 2 of meer van volgende criteria:
| <20% blasten geen Philadelphia chromosoom of BCR-ABL |
| Myelodysplastic/myeloproliferative neoplasm, unclassifiable |
| Type | % blasten bloed | % blasten beenmerg | % ring sideroblasten | monocyten bloed | dysplasie |
|---|---|---|---|---|---|
| RA | <2 | <5 | <15 | niet ↑ | + |
| RARS | <2 | <5 | >15 | niet ↑ | + |
| RAEB | 2-4 | 5-20 | variabel | niet ↑ | + |
| CMML | 2-4 | <20* | variabel | >1x109/l | + |
| RAEB-t | ≥5** | 20-30** | variabel | variabel | + |
| * myeloblasten, monoblasten en promonocyten ** bij Auerstaafjes indeling in RAEB-t, ongeacht aantal blasten in bloed en/of beenmerg | |||||
| Score | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| Variabele | 0 | 0.5 | 1 | 1.5 | 2 |
| BM blasten % | <5 | 5-10 | – | 11-20 | 21-30 |
| Karyotype* | goed | intermed | slecht | ||
| Cytopenie** | 0/1 | 2/3 | |||
| * goed: normaal, -Y, del(5q), del(20q); slecht: complex (≥3 afw.) of afw. chrom. 7; intermediair: alle andere afwijkingen. ** aantal betrokken cellijnen. | |||||
| Mediane overleving (jaren) | ||||
|---|---|---|---|---|
| IPSS | 0 | 0,5-1 | 1,5-2 | >2 |
| Risico | Laag | Intermediate-laag | Intermediate-hoog | Hoog |
| Alle leeftijden | 5.7 | 3.5 | 1.2 | 0.4 |
| ≤60 | 11.8 | 5.2 | 1.8 | 0.3 |
| >60 | 4.8 | 2.7 | 1.1 | 0.5 |
| ≤70 | 9.0 | 4.4 | 1.3 | 0.4 |
| >70 | 3.9 | 2.4 | 1.2 | 0.4 |
| Score | ||||
|---|---|---|---|---|
| Variabele | 0 | 1 | 2 | 3 |
| WHO-categorie | RA, RARS,5q- | RCMD, RCMD-RS | RAEB-1 | RAEB-2 |
| Karyotype* | goed | intermed | slecht | |
| Transfusie behoefte** | geen | wel | ||
| * goed: normaal, -Y, del(5q), del(20q); slecht: complex (≥3 afw.) of afw. chrom. 7; intermediair: alle andere afwijkingen. ** Transfusiebehoefte is gedefineerd als tenminste 1 RBC transfusie elke 8 weken over een periode van 4 maanden. | ||||
| Very low Score=0 | Low Score=1 | Intermed Score=2 | High Score=3,4 | Very high Score=5,6 | |
| Median OS (maanden) | 140 | 66 | 48 | 26 | 9 |
| Risiko van progressie naar AML | 3% | 14% | 33% | 54% | 84% |
Zoals boven vermeld wordt de prognose niet alleen bepaald door het risico op progressie naar AML (hoger bij stijgend percentage blasten en toenemend aantal betrokken cellijnen) maar ook door complicaties van de slecht functionerende granulocyten en trombocyten, i.e. infecties en bloedingen.
Er is geen goede behandeling voor MDS. Wel suggereert het duidelijke verschil in overleving tussen IPSS low en low-int versus int-high en high dat er verschillende pathogenetische mechanismen spelen die vragen om een separate aanpak. De keuze tussen de diverse opties is moeilijk en wordt, behalve door IPSS score, bepaald door de leeftijd van de patiënt, eventuele co-morbiditeit, het subtype MDS, het gestelde therapeutische doel en de snelheid van progressie van het ziektebeeld. Behandeling leidt in een deel der patiënten tot verbetering van het bloedbeeld maar niet alle behandelingen leiden ook tot verbetering van de overleving. De (aangepaste) IWG-criteria (Cheson et al, 2006) kunnen gebruikt worden om de respons te evalueren. Echter, in eerste instantie moet men zich afvragen of er een behandelindicatie is. Is deze er niet dan kan de patiënt poliklinisch geobserveerd worden. Is deze er wel, dan zijn er verschillende opties. Onderstaande figuur geeft de verschillende opties weer, ingedeeld naar leeftijd en risico groep volgens IPSS.
| Patiënten met een behandelindicatie | ||
|---|---|---|
| Leeftijd <65 | Leeftijd >65 | |
| IPSS low, int-low | HOVON 89 Immunosuppressie (m.n. jonge patiënten [<60, HLA-DR15+]) (ATG + cyclosporine of cyclosporine + androgenen) Als Epo <500 en transfusie <2 E/mnd: Epo, eventueel + G-CSF (m.n. RARS) | HOVON 89 Immunosuppressie (cyclosporine), eventueel in combinatie met androgenen Als Epo <500 en transfusie <2 E/mnd: Epo, eventueel + G-CSF (m.n. RARS) |
| IPSS int-hi, high | Intensieve chemo + allogene HCT Azacitidine (m.n. -7) | Azacitidine |
| N.B.: MDS 5q-: Lenalidomide; CMML met translocatie van PDGF Rβ (t 5q33): Imatinib Cave ijzerchelatie | ||
De behandeling van low risk MDS is complex. Er zijn geen prospectief gerandomiseerde studies beschikbaar die kunnen dienen als leidraad.
Bij afwezigheid van respons (= minimale Hb stijging van 0.6 mmol/l) na 6 weken behandeling met EPO, kan G-CSF 2x per week 300 μg worden toegevoegd en alsnog leiden tot Hb-stijging. Indien binnen 3 maanden geen effect wordt gezien, de behandeling staken. De behandeling met EPO en G-CSF is niet prospectief gerandomiseerd getest.
Kans op succes met Epo/G-CSF (Blood: 1998:92:68)
| Punten | Score | Respons % | ||
|---|---|---|---|---|
| Transfusiebehoefte < 2U/maand | 0 | 0 | 74% | |
| Serum epo < 500 U/l | 0 | 1 | 23% | |
| Transfusiebehoefte > 2U/l | 1 | 2 | 7% | |
| Serum epo ≥ 500 U/l | 1 |
In de praktijk is het goed ook oog te hebben voor algemene maatregelen. Zoals SDD bij recidiverende infecties en 'ontijzering' bij ijzerstapeling t.g.v. transfusies, mits goede levensverwachting van patiënt. Bij voorkeur 'ontijzering' met desferal, eventueel orale ontijzeringspreparaten. Zie ook Hemochromatose en hemosiderose.
LINKS IN DEZE PAGINA:
-
Behandeling van acute myeloïde leukemie
-
Hemochromatose en hemosiderose
-
Lenalidomide: artsenverklaring
-
Lenalidomide: bestelformulier
TRIAL-INFO VOOR DEZE PAGINA:
-
HOVON 89
Originele protocol
Patiënteninformatie
Recept lenalidomide
Checklist
SAE-formulier
LABAANVRAAGFORMULIEREN IN DEZE PAGINA:
-
Beenmergonderzoek algemeen (cytologie, immuno, molec.diagn., overige)
-
Beenmerg PA
-
Cytogenetica
© UMCG | Disclaimer