Chronische lymfatische leukemie (CLL)

Datum laatste herziening: 23-09-2011

Diagnose

Onderzoek

Stadiumindeling

I) Indeling volgens Rai

II) Indeling volgens Binet

Differentiële diagnose

Prognose

Evolutie

Behandeling

Behandelschema's

Literatuur

Verwante pagina's

Links in deze pagina

Trial-info

Diagnose

De diagnose CLL wordt vermoed op basis van lymfocytose van >10x109/l, waarbij de lymfocyten een typische kernstructuur vertonen ('grumelé-patroon'); ook lymfadenopathie en splenomegalie zijn mogelijk.

De diagnose wordt bevestigd middels flowcytometrie van het bloed, waarbij >5x109/l monoclonale CD5+ B-cellen met specifiek fenotype worden gevonden (zie onderzoek, immuunfenotypering).

Op basis van vnl. chromosomenonderzoek, mutatiestatus en ZAP70-expressie kunnen twee subgroepen onderscheiden worden, een met indolent beloop (mediane overleving >15 jaar) en een met ongunstige prognose (mediane overleving +/- 6 jaar).

Onderzoek

Stadiumindeling

CLL wordt ingedeeld in stadia die correleren met prognose:

I) Indeling volgens Rai

med. overleving
Stadium 0 alleen lymfocytose (>10x109/l)* >120 mnd
Stadium Ilymfocytose + lymfadenopathie 60-100
Stadium II lymfocytose + hepato/splenomegalie 44-72
Stadium III lymfocytose + anemie (Hb <7 mmol/l) 22-54
Stadium IV lymfocytose + trombocytopenie <100x109/l 15-36
* : ≥5x109/l voldoende indien monoclonaliteit in flowcytometrie  

II) Indeling volgens Binet

Stadium Ageen anemie (Hb >6,4 mmol/l), geen trombocytopenie, <3 regio's lymfoïde ophoping >120 mnd
Stadium B geen anemie of trombocytopenie,
≥3 regio's van lymfoïde ophoping
48-96
Stadium C anemie en/of trombocytopenie (<100x109/l),
onafhankelijk van lymfoïde ophopingen
15-36

Ook de verdubbelingstijd der lymfocyten geeft bruikbare klinische informatie omdat de indelingen van Rai en Binet momentopnames zijn bij diagnose en geen onderscheid maken tussen stabiele en progressieve ziekte.

Differentiële diagnose

Prognose

Evolutie

Behandeling

De inzichten over de behandeling van CLL zijn volop in beweging. Intensievere behandeling verlengt niet alleen de respons en het therapievrije interval maar ook de overall survival, vooral door toevoegen van 'immunotherapie', i.c. anti-CR20-antistoffen, aan de chemotherapie. Vooral RFC (ook FCR genoemd), leidt tot significant betere overleving, zij het ten koste van hogere toxiciteit (Hallek, 2010). RFC is thans de nieuwe standaard maar onduidelijk is nog of, en in welke mate, alle subgroepen baat hebben bij deze behandeling.

Voor alle patiënten geldt dat starten (of hervatten) van de behandeling wordt overwogen bij aanwijzingen voor (op korte termijn te verwachten) klinische progressie. Hallek (2008-1) geeft een update van de indicaties voor behandeling van de International Workshop on CLL (IWCLL), ingesteld door het NCI:

  1. Voor 'actieve CLL' moet aan minstens één van volgende ziektegerelateerde symptomen voldaan zijn:
  2. progressieve beenmerginsufficiëntie zich uitend in (toename van) anemie en/of trombocytopenie
  3. auto-immuun anemie en/of trombocytopenie die niet volgens verwachting reageert op corticosteroïden
  4. massieve (>6 cm onder de ribbenboog) of progressieve splenomegalie
  5. massieve (>10 cm) of progressieve lymfadenopathie
  6. progressieve lymfocytose met een toename van >50% over 2 maanden of een verdubbelingstijd van <6 maanden.

In aanvulling op en overlappend met deze gestandaardiseerde criteria kunnen aanwezigheid van veel prolymfocyten of het beeld van atypische CLL belangrijk zijn.

N.B:

  1. Een hoog leucocytengetal in afwezigheid van een bovengenoemd behandelcriterium is geen reden om met therapie te starten.
  2. Als behandeling geïndiceerd is, wordt nagegaan of de patiënt in aanmerking komt voor een lopende studie, op dit ogenblik HOVON 101 (maintenance met anti-CD-20 na recidief), HOVON 88 (allogene SCT bij refractaire CLL), d’Accord (combinatie dasatinib-fludarabine bij refractaire ziekte) en binnenkort HOVON 109 (chloorambucil-rituximab-lenalidomide bij ouderen met CLL).
  3. Onbekend is of patiënten met de meest ongunstige prognose, vb afwijkend p53, baat hebben bij vroegtijdige intensieve chemotherapie; derhalve geldt ook voor hen dat de behandeling pas start bij klinische progressie, al moet vroegtijdig nagegaan worden of deze patiënten getranplanteerd kan kunnen worden.
  4. Bij recidief na fludarabinetherapie is behandeling met chloorambucil zinloos.

Het doel van de behandeling moet duidelijk zijn en bepaalt de keuze van de therapie, i.e. optimale tumorreductie met maximale levensverlenging of eerder palliatie, met vooral oog voor verbetering van de kwaliteit van leven:

Type patiënt Eerste keuzeAlternatief c.q. vervolg
jonge, fitte patiëntenRFC  
ouderen (>70 jaar)
niet fit / comorbiditeit
(R-) chloorambucil  
chrom 17-afwijking (p53)RFC
  1. alemtuzumab
    • jong: allogene SCT
    • oud / comorbiditeit: lenalidomide (experim.)
Slechte/kortdurende respons chemotherapieRFC
  • alemtuzumab
  • experimentele middelen
geringe beenmergreserve (massieve CLL-infiltratie)Dosisreductie, geduld  
grote tumorbulkRFCRadiotherapie

 

 

Er is een risico op cellysissyndroom (CLS) bij hoog circulerend celaantal, vooral bij gebruik van purine-analoga en/of antistoffen. Om het risico te verminderen zijn de gebruikelijke maatregelen, als hoge vochtintake en allopurinol, nodig. Daarenboven wordt de toediening van rituximab (gereduceerd of) uitgesteld tot het aantal cirkulerende cellen fors gedaald is o.i.v. de cytostatische therapie.

Bij alle fludarabinecombinaties geldt:

  1. PCP profylaxe;
  2. SDD, vooral indien patiënt gevoelig is voor infecties (in vroege fase van de behandeling vaak (nog) niet het geval);
  3. bestraalde bloedproducten.

In het algemeen wordt de behandeling voortgezet zolang de ziekteparameters verbeteren en er nog geen nieuwe stabiele fase is bereikt (geen vast aantal kuren). Het is duidelijk geworden dat het bereiken van CR, gedefinieerd middels flowcytometrie, correleert met verlenging van de ziektevrije periode.

Behandelschema's

1. RFC, combinatie fludarabine, cyclofosfamide en rituximab

Thans de standaardtherapie, vooral zinvol bij ongemuteerde CLL/ZAP70+ CLL:

2. Chloorambucil (Leukeran®)

Meerdere schema's met vergelijkbare effectiviteit maar met lagere toxiciteit voor intermitterende behandeling; intensivering kan (korte-termijn?) resultaten verbeteren:

PM Prednison 1 mg/kg/d

Beïnvloedt in combinatie met cytostatica de survival niet.
Voornaamste indicaties zijn AIHA, ITP, PRCA en palliatie in terminale fase.

3. Immuuntherapie met:

  1. rituximab (anti-CD20, Mabthera®)
  2. alemtuzumab (anti-CD52, MabCampath®)
  3. ofatumumab (anti-CD20) een nieuwer en effectiever anti-CD20 tegen een ander epitoop dan rituximab.

Rituximab als monotherapie in de standaarddosering van 375 mg/m2 heeft weinig effect bij CLL maar in combinatie met cytostatica geeft het hoge responspercentages (Eichhorst, 2003; Flinn, 2004; Hallek, 2010). Dosering bij eerste gift is 375 mg/m2, daarna 500 mg/m2, in principe voorafgaand aan de cytostatica. Pragmatisch kan rituximab gecombineerd worden met alle genoemde chemotherapie, maar i.t.t. de RFC-combinatie (Tam, 2008; Hallek, 2010) zijn er voor andere combinaties weinig klinische studies.

Voor toediening moeten de nodige voorzorgen genomen worden wegens kans op complicaties, vooral de eerste keer. Zie Trials/schema’s, andere chemolijsten.

Alemtuzumab is een gehumaniseerd ratten-IgG1. Het veroorzaakt lymfocytopenie en leidt tot verhoogde infectievatbaarheid, vooral reactivatie van CMV. Antimicrobiële profylaxe, te starten op dag 8, is obligaat alsook goede monitoring van CMV en EBV middels PCR. Bloedproducten dienen bestraald te worden.

dag 13 mg SC (als IV, dan inlooptijd 2 uur)
dag 210 mg
dag 330 mg
week 2 – 1230 mg op maandag, woensdag en vrijdag
premedicatie
  • tavegil 1-2 mg en paracetamol 500 mg 30 min voor de gift bij elke dosisverhoging en bij het optreden van bijwerkingen;
  • bij ernstige bijwerkingen: hydrocortison 200 mg.
antibiotische profylaxe
  • co-trimoxazol 2 dd 960 mg, 2 dagen achtereen/week (PCP profylaxe); indien neutropeen, dan dagelijks 3 dd 960 mg
  • valganciclovir (Valcyte®) 2 dd 450 mg (bij nierinsufficiëntie 1 dd 450 mg)
  • Fluconazol 1 dd 150 mg.

Als monotherapie in eerste lijn is de respons op alemtuzumab ongeveer 70%, waarvan 20-30% CR (Keating, 2002; Lundin, 2002). Combinatie met fludarabine verhoogt het respons-percentage aanzienlijk, zelfs bij fludarabine-resistente patiënten. Opmerkelijk is dat ook fludarabine-resistente patiënten met gemuteerd p53 een goede kans hebben op respons. Alemtuzumab is echter minder effectief bij grote tumorbulk.

Ofatumumab, kan effectief zijn waar rituximab faalt. Studies met ofatumumab lopen, a) als combinatie met chemotherapie voor primaire behandeling van nieuwe CLL-patiënten en b) als consolidatie na herbehandeling. Startdosis is 300 mg, daarna 1000 mg per gift. Bij toediening horen dezelfde maatregelen als voor rituximab.

4. Nog experimenteel

i.e. niet geregistreerd of niet erkende indicatie

  1. Bendamustine 70-90 mg/m2/d x2 om de 4 weken
    tegelijkertijd antimetaboliet en alkyleerder, met aantoonbaar betere goede resultaten dan chloorambucil maar nog niet geregistreerd. Meer effectief in combinatie met rituximab.
  2. Lenalidomide 10 mg dd
    blijkt enige effectiviteit te hebben bij CLL maar is vooralsnog een reservemiddel, dat vooral een plaats kan hebben bij ongunstige chromosoom-afwijkingen, die slecht reageren op de gebruikelijke behandelingen, m.n. p53-mutaties.
    Specifiek is een 'tumor flare', pijnlijk opzwellen van de klieren en jeukende huidrash door B-celactivatie, die snel optreedt na de start van lenalidomide en die correleert met respons maar die in ernstige gevallen (m.n. hogere doses lenalidomide !) zelfs fataal kan verlopen. Daarom dosis beperken tot 5-10 mg dd, zeker initieel.
  3. Flavoperidol (Alvocidib®)
    inhibitor van cycline-dependente kinases met effecten op RNA polymerase en NF-κB.
    Blijkt effectief maar toxisch, verdere ontwikkleing onduidelijk.
  4. Oblimersen
    anti-bcl2, heeft vooralsnog relatief weinig effect als monotherapie maar houdt beloften in voor combinatietherapie.
  5. Hoge dosis methylprednison [HDMP]
    gaf in combinatie met alemtuzumab goede resultaten in een kleine groep patiënten met afwijkend p53 (Pettitt, 2006)

5. Allogene stamceltransplantatie, m.n. RIST

Zinvol, met kans op curatie, m.n. indien toegepast relatief vroeg in het beloop van de ziekte en in een rustige fase, zonder tumorbulk. Vaak wel ten koste van chronische GVHD. Alleen weggelegd voor patiënten to 65 (-70) jaar.

Voor deze patiëntengroep is er thans de HOVON 88-studie: allogene RIST na DHAP-VIM-DHAP.

6. Andere schema's

Deze schema's zijn door het beschikbaar komen van immunotherapie en nieuwere chemotherapeutica naar de achtergrond verdrongen, maar kunnen zinvol zijn in geselecteerde gevallen. Voor alle geldt dat ze worden gecombineerd met immunotherapie.

A. COP / CVP

Herhalen om de 3 weken, heeft weinig toegevoegde waarde t.o.v. chloorambucil maar werkt wat sneller.

B. Fludarabine (Fludara®)

fludarabine: 25 mg/m2/d i.v x5 of 40 mg/m2/d p.o. x5

Monotherapie is obsoleet geworden; combinatietherapie (RFC) is weliswaar meer toxisch – m.n. cytopenie en infectie, vooral bij ouderen – maar ook effectiever, met minder kans op autoimmuunpathologie en resistentievorming (verhoogde mutatie p53 ?)

C. CHOP

CHOP = COP + adriamycine: 25 mg/m2 i.v. dag 1 ('Franse miniCHOP', French Cooperative Group on CLL, 1990), of
50 mg/m2 i.v. dag 1 (standaardschema).

7. Radiotherapie

A. RT op milt /splenectomie

Zie ook Infectiepreventie/vaccinatie bij splenectomie en hyposplenisme.

B. Hemibody of total body bestraling
C. Radiotherapie als palliatie op grote massa

Literatuur


VERWANTE PAGINA'S:
- Hairy cell leukemie (HCL)
- Prolymfocytenleukemie (PLL)
- Large granular lymphocyte (LGL-) lymfocytose


LINKS IN DEZE PAGINA:
- HOVON 88
- Infectiepreventie/vaccinatie bij splenectomie en hyposplenisme


TRIAL-INFO VOOR DEZE PAGINA:
HOVON 101
   Originele protocol
   Patiënteninformatie
   Toedieningslijst Ofatumumab maintenance
   Recept Ofatumumab
   Samenvatting
   SAE-instructie

HOVON 68 (gesloten)
   Originele protocol
   Patiënteninformatie
   Arm A Fludarabine/Cyclofosfamide
   Arm B Fludarabine/Cyclofosfamide/Alemtuzumab
   Recept alemtuzumab
   Samenvatting/checklist

HOVON 88
   Originele protocol
   Patiënteninformatie
   R-DHAP
   Rituximab
   Recept rituximab
   Samenvatting/checklist
   SAE-instructie


Printerversie PrinterversieMail deze pagina Mail deze pagina


© UMCG  |   Disclaimer