Prolymfocytenleukemie (PLL)
Datum laatste herziening: 31-08-2009
Onderzoek
- milt- en levergrootte, lymfadenopathie, cutane lesies;
- bloedbeeld;
- beenmergaspiraat en -biopsie;
- karyotype: vaak afwijkingen van chr14q32, zowel bij B-PLL [vnl t(11;14)(q13;q32)] als T-PLL [vnl t(14;14)(q11;q32)] en +8 of iso(8q)];
- immunofenotypering.
- B-PLL heeft fenotype van rijpe B-cellen, met i.t.t. CLL, sterke expressie van B-celmerkers en Ig, zonder expressie van CD23 of (meestal) CD5
- T-PLL heeft fenotype van rijpe T-cellen maar kan zowel CD4+CD8- als CD4-CD8+ of CD4+CD8+ zijn maar CD1 en TdT zijn negatief. Gezien de nucleoli en de mogelijke dubbele positiviteit voor CD4 en CD8 worden PLL cellen makkelijk voor blasten aangezien maar de afwezigheid van TdT helpt differentiëren.
Toelichting
- Kenmerkend zijn het opvallend hoog aantal leukocyten (vaak > 100x109) en forse splenomegalie; de ziekte komt vaker voor bij mannen.
- Onderscheid tussen B-PLL en T-PLL is belangrijk voor prognose en behandeling.
- Prognose is zeer somber (mediane overleving < 12 mnd); met de combinatie chemotherapie en immunotherapie lijkt er enige verbetering te komen; volgens sommige auteurs is er een subgroep B-PLL met eerder indolent beloop, nl bij Hb > 7 mmol/l en leuko's stabiel < 100x109/l (Shvidel, 1999; Herscher, 2001)
Differentiaal diagnose
- B-PLL vs T-PLL.
- CLL met hoog aantal prolymfocytaire cellen: bij CLL bedragen prolymfocyten < 55% van totaal aantal lymfocyten; zij hebben het immunofenotype van CLL-cellen, m.n positiviteit voor CD5 of CD23. CLL kan echter ook evolueren naar een 'echte' PLL, die moeilijk te onderscheiden is van een PLL sui generis.
- Leukemisch NHL.
- Variant HCL.
Behandeling
Omdat PLL een relatief zeldzame ziekte is, zijn er weinig therapeutische studies en helemaal geen gerandomiseerde studies. De waarde van combinatietherapie met antistoffen is gebaseerd op eigen ervaring en verwachtingspatroon naar analogie met andere lymfoïde maligniteiten.
B-PLL
- Indien leucocyten < 100x109/l en Hb > 7 mmol/l: overweeg behandeling als bij CLL (Shvidel, 1999);
- R-CHOP; let op: gezien risico op cellysis bij voorkeur pas starten met rituximab na forse reductie van circulerende leuko's;
- purine-analoga, meeste gegevens betreffen 2-CDA (Saven, 1997);
- anti-CD52 (CAMPATH-1H);
- bij respons: overweeg splenectomie en/of miltbestraling.
T-PLL
Therapieën met aangetoond effect zijn:
Aanbevolen wordt (nog geen literatuur) CHOP + alemtuzumab 30 mg SC 3x per cyclus van 3 weken, eventueel te reduceren tot 1 of 2x, afhankelijk van leeftijd en tolerantie, i.e. afhankelijk risico op m.n. opportunistische infecties. Antibiotische profylaxe als gebruikelijk bij alemtuzumab is noodzakelijk, tot (minstens) 1 jaar na alemtuzumab.
Bij respons: overweeg splenectomie en/of miltbestraling (zie Infectiepreventie/vaccinatie bij splenectomie en hyposplenisme).
Literatuur
- Herscher, C., Robin, M., Davi, F., et al. A multicentric study of 41 cases of B-prolymphocytic leukemia: two evolutive forms. Leuk Lymphoma 2001, 42, 981-7.
- Matutes, E., Brito-Babapulle, V., Swansbury, J., et al. Clinical and laboratory features of 78 cases of T-prolymphocytic leukemia. Blood 1991, 78, 3269-74.
- Pawson, R., Dyer, M.J., Barge, R., et al. Treatment of T-cell prolymphocytic leukemia with human CD52 antibody. J Clin Oncol 1997, 15, 2667-72.
- Saven, A., Lee, T., Schlutz, M., et al. Major activity of cladribine in patients with de novo B-cell prolymphocytic leukemia. J Clin Oncol 1997, 15, 37-43.
- Shvidel, L., Shtalrid, M., Bassous, L., et al. B-cell prolymphocytic leukemia: a survey of 35 patients emphasizing heterogeneity, prognostic factors and evidence for a group with an indolent course. Leuk Lymphoma 1999, 33, 169-79.