Datum laatste herziening: 21-07-2005
WHO-EORTC indeling van cutane lymfomen met primair cutane manifestaties
Folliculotrope MF, voorheen Folliculaire mucinosis
Granulomatous slack skin disease
Primair cutane anaplastisch grootcellig lymfoom
SC panniculitisachtige T-cellymfoom (SPTL)
Extranodale NK/T-cell lymfoom, nasaal type
Primair cutane perifere T-cell lymfoom
Behalve dat non-Hodgkin en uitzonderlijk zelfs Hodgkin lymfomen, die elders in het lichaam ontstaan, kunnen dissemineren naar de huid, kunnen lymfomen ook primair in de huid tot expressie komen en langdurig tot de huid beperkt blijven. Morfologische en klinisch verschillen cutane lymfomen sterk van de overige NHL. Al betreft het ziekten die uitgaan van hematopoietische cellen, de hematoloog wordt er meestal pas mee geconfronteerd in een gevorderd stadium, als systemische therapie nodig is; tot die tijd worden deze patiënten behandeld door de dermatoloog.
De EORTC verrichtte op dit gebied baanbrekend werk en de EORTC-indeling gold lange tijd als de standaard. De WHO nam deze indeling in grote lijnen over maar verschilde toch op sommige punten, mede omdat de WHO op puur morfologische gronden niet overtuigd was van de noodzaak cutane lymfomen als aparte entiteiten te zien. De WHO volgde ook niet de indeling in indolent en agressief, gebaseerd op het klinische beloop. De EORTC maakte onderscheid tussen grootcellige CD30+ en CD30– lymfomen, wat correleert met klinisch gedrag en prognose. Een aantal door de EORTC als provisorisch geduide ziektebeelden werden echter door WHO als eigen entiteiten erkend.
Recent hebben beide groepen een consensus ontwikkeld, waarbij bovengenoemde verschilpunten werden opgelost en waarin de nieuwste informatie over de biologie van cutane lymfomen werd verwerkt. Hierbij werden de EORTC-groep der CD30– grootcellige cutane T-cellymfomen (CTCL) en de cutane B-cellymfomen (CBCL) opgesplitst in een aantal 'nieuwe' entiteiten, die deels reeds opgenomen waren in de vroegere WHO-indeling. Minder handig voor de clinicus is dat de indeling in indolent en agressief nu definitief verlaten lijkt. Hier volgt de nieuwe indeling.
| Mycosis fungoides (MF) | |
| MF varianten en subtypen | Folliculotrope MF |
| Pagetoïde reticulose | |
| Granulomatous slack skin | |
| Sézary syndroom (SS) | |
| Adult T-celleukemie/lymfoom (ATLL) | |
| Primair cutane CD30+ lymfoproliferatieve ziekten | Primair cutane anaplastisch grootcellige lymfoom (PC-ALCL) |
| Lymfomatoïde papulose (LyP) | |
| Subcutane panniculitisachtige T-cellymfoom (SPTL) | |
| Extranodale NK/T-cellymfoom, nasale type | |
| Primair cutane perifere T-cellymfoom, niet gespecifieerd | Primair cutane agressieve epidermotrope CD8+ T-cellymfoom* |
| Cutane γ/δ+ T-cellymfoom* | |
| Primair cutane CD4+ klein-/middelgrootcellige pleiomorf T-cellymfoom* | |
| *: provisorisch | |
CD4+/CD56+ hematodermale neoplasma / blastaire NK-cellymfoom
De incidentie van primair cutane lymfomen wordt geschat op 1:1000.000 per jaar. Na de gastro-intestinale lymfomen zijn het de meest voorkomende extranodale lymfomen. Ongeveer de helft van alle primair cutane lymfomen bestaat uit MF en zijn varianten. Andere relatief veel voorkomende typen zijn het PC-ALCL, het PC-FCL, de LyP en het PC-MZL. De overige entiteiten, inclusief het prototypische Sézary syndroom, zijn zeldzaam (<5%).
De meeste CTCL zijn opgebouwd uit CD4+ cellen met herschikking van TCR-aβ. Vaak treedt er verlies op van bepaalde pan-T-celmerkers, bij MF en SS veelal CD7, bij cutaan ALCL vaak CD2, CD3 en/of CD5. Mogelijk zijn sommige CTCL gerelateerd met HTLV-1, maar dit is niet bewezen.
Begint met schilferige, eczemateuze huidlesies met predilectie voor huidplooien en niet aan de zon blootgestelde huidzones. In deze fase kan de diagnose meestal nog niet gesteld worden. Later ontstaan 'patches' en 'plaques' die door progressieve toename en infiltratie tumoren gaan vormen. In een verder stadium breidt de ziekte zich uit naar lymfklieren en ten slotte naar viscerale organen; het beenmerg wordt meestal gespaard.
Kenmerkend is de infiltratie van dermis en epidermis (epidermiotropisme) en vorming van 'Pautrier's microabcessen' met atypische T-cellen met cerebriforme kern. Voordat er aantoonbare infiltratie is van de lymfeklieren zijn de klieren al opgezet, de zgn. dermatopathische lymfadenopathie.
Klinische stadiëring:
| Stadium I | beperkt tot de huid |
| Ia. patches/plaques <10% huidoppervlak | |
| Ib. patches/plaques >10% huidoppervlak | |
| Ic. tumoren | |
| Stadium II | huid + dermatopathische lymfklieren |
| Stadium III | infiltratie klieren met MF |
| Stadium IV | viscerale aantasting |
In de vroege stadia is er een eerder indolent beloop met 10-jaarsoverleving van >80% als de ziekte zich presenteert in het stadium Ia/Ib (patches en plaques) maar later, in het tumorstadium, wordt het gedrag agressief en nog moeilijk te beïnvloeden door therapie.
MF van de haarwortels, vooral van hoofd en nek, met mucineuze degeneratie leidend tot alopecia, en opvallend veel last van jeuk. Al is deze vorm bij klinische stadiëring vergelijkbaar met stadium Ia/Ib van de klassieke MF, de prognose is eerder vergelijkbaar met die van het tumorstadium van MF.
MF beperkt tot gelokaliseerde intraepidermale lesies, vroeger ziekte van Woringer-Kolopp genoemd [het gedissemineerde type (Ketron-Goodman type) wordt thans ingedeeld bij de verderop genoemde agressieve CD8+ CTCL]. Kan opgebouwd zijn uit zowel CD8+ als CD4+cellen, vaak CD30+.
Atrofische huid vooral in oksels en liezen op basis van granulomateuze infiltratie met atypische T-cellen, macrofagen en meerkernige reuscellen. Extreem zeldzaam maar kan voorkomen als paraneoplastisch fenomeen, m.n. bij M. Hodgkin.
Wordt beschouwd als een gedissemineerde vorm van MF. Per definitie is er een uitgebreide erythrodermie met geïnfiltreerde huid (evt. 'facies leonis'), gegeneraliseerde lymfadenopathie en aanwezigheid van circulerende CD4+-T-cellen met cerebriforme kern (>109/l). Verder: jeuk, hyperkeratose van handpalmen en voetzolen, onychodystrofie en alopecia.
Grootste moeilijkheid is in de beginfase de DD met reactieve processen, vb geneesmiddelenreacties. De prognose is ongunstig.
Meestal solitaire lesie danwel een beperkt aantal nabijgelegen lesies, vaak met spontane genezingstendens. In tegenstelling tot het primair systemische ALCL is er een indolent beloop, alhoewel vaak met cutane recidieven. Eveneens i.t.t. systemische ALCL: ALK-, geen t(5;12).
Recidiverende papuleuze lesies met spontane genezingstendens, zich uitend in ulceraties en necrose. Werd vroeger beschouwd als benigne maar thans, op basis van clonale T-celafwijking en soms evolutie naar NHL, toch als (pre-) maligne. Histologisch drie subtypen (A, B en C) met wisselende infiltratie van atypische CD30– T-cellen en grootcellige, op Reed-Sternbergcellen lijkende CD30+ cellen.
SC infiltratie door a/β+ CD8+ T-cellen, zich uitend als solitaire of multipele nodules en plaques, vooral op de benen. Dermis en epidermis worden gespaard. SPTL kent een chronisch beloop met relatief gunstige prognose, behalve als het geassocieerd is met een hemofagocytair syndroom (zeldzaam).
PM. Een γ/δ+, CD4-CD8- variant die niet beperkt is tot de subcutis, vaak gepaard gaat met hemofagocytair syndroom en een heel slechte prognose heeft, wordt ingedeeld bij de cutane γ/δ+ lymfomen.
Behalve in de nasofarynx kan dit type lymfoom in de huid voorkomen, met of zonder systemische lokalisaties. Allemaal zijn ze EBV+ en hebben ze een vergelijkbaar, agressief beloop, al is de prognose van de geïsoleerd cutane vorm iets beter dan de overige vormen. Ulceratie en necrose komen frequent voor (getuige de vroegere benaming 'lethal midline granuloma' voor de nasale vorm), met systemische klachten van koorts, malaise en gewichtsverlies, en soms een hemofagocytair syndroom. Het fenotype van de cellen is CD2+, CD3–, CD56+, TIA-1+, granzyme+, perforin+.
In de vroegere EORTC-indeling werden een aantal van de hier genoemde entiteiten samen geclassificeerd als grootcellige CD30– CTCLs. De CD4+ variant van het primair cutane kleine/middelgrootcellige pleiomorfe T-cellymfoom werd in de EORTC-indeling apart vermeld omdat het een betere prognose heeft dan de andere subtypen. In vergelijking met CD30+ CTCL vertonen de meeste primair cutane perifere T-cellymfomen echter een snelle progressie van cutane en systemische afwijkingen, met resistentie voor therapie en slechte prognose.
Indolent beloop, zelfs bij de grootcellige variant en bij relatief uitgebreide cutane lokalisatie. Uitzonderingen hierop zijn het PC-LBCL, leg type, dat een eerder ongunstige prognose heeft, m.n. wanneer het niet solitair voorkomt, en het zeer zeldzame intravasculaire LBCL. Mede omdat de prognose en behandeling kan verschillen, is het belangrijk primair cutane lymfomen te onderscheiden van cutane disseminatie van systemische B-cellymfomen. Behulpzaam hierbij is dat de primair cutane vormen in een aantal karakteristieken verschillen van hun systemische tegenhanger. Zo is er i.t.t. systemische vormen voor PC-MZL een associatie aangetoond met Borrelia burgdorferi en is PC-FCL bijna altijd negatief voor bcl-2 en t(14;18).
Een bijzonder type is het PC-DLBC, leg type, dat voornamelijk – maar niet alleen – op de benen gelokaliseerd is en dat vooral bij oudere vrouwen voorkomt. Het is opgebouwd uit confluerende velden van grote centroblasten en immunoblasten, sterk positief voor bcl-2 maar negatief voor t(14;18). In principe dient dit lymfoom agressief behandeld te worden, zelfs bij presentatie als solitaire lesie.
Een aantal cutane lesies die vroeger wel eens beschouwd werden als huidlokalisaties van AML of als NK-celtumoren (op basis van CD56-posiviteit) blijken uit te gaan van voorlopercellen van plasmacytoïde dendritische cellen. Ze kunnen solitair of multipel zijn en wel of niet geassocieerd met extracutane lokalisaties. Ze hebben een slechte prognose, zelfs bij lage tumorload.
Als de hematoloog bij de behandeling betrokken wordt, is de diagnose meestal reeds gesteld aan de hand van huidbiopten. Vraag is dan of en in welke mate disseminatieonderzoek nodig is. Zolang de ziekte tot de huid beperkt blijft, is er geen uitgebreid disseminatieonderzoek nodig; als klieren of viscera aangedaan zijn, is uitvoeriger onderzoek nodig.
In de indolente stadia, zolang de lesies een beperkte omvang hebben zowel wat betreft dikte als wat betreft uitgebreidheid, wordt de behandeling ingesteld door de dermatoloog:
Bij progressie of systemische uitbreiding komt de patiënt in aanmerking voor chemotherapie onder coördinatie van de hematoloog:
Niet overal toepasbaar en m.n. in Europa nog weinig toegepast.
Radiotherapie
Geen therapie, PUVA of korte kuren met systemische corticosteroïden of lage dosis MTX.
Systemische chemotherapie, al is het resultaat zeer matig.
Initieel is er vaak een respons op intensieve chemotherapie maar meestal treedt er snel een therapieresistent recidief op.
VERWANTE PAGINA'S:
- Maligne lymfomen: stadiëring en response evaluatie algemeen
- Pathologisch onderzoek van maligne lymfomen
- Hodgkin lymfoom
- Non-Hodgkin lymfomen (NHL): inleiding
- NHL: lymfoblastair/precursor B en T
- NHL: lymfocytair lymfoom/CLL
- NHL: folliculair lymfoom graad 1 en 2
- NHL: folliculair lymfoom graad 3
- NHL: nodaal en extranodaal marginale zone lymfoom (MALT-type)
- NHL: lymfoplasmocytair lymfoom / ziekte van Waldenström
- NHL: diffuus grootcellig B-cellymfoom
- NHL: Burkitt-lymfoom
- NHL: mantelcellymfoom
- NHL: perifeer T-cellymfoom
- NHL: primair in het zenuwstelsel
- NHL: bij aids of na transplantatie
© UMCG | Disclaimer