Datum laatste herziening: 16-10-2009
| I | aandoening van 1 lymfklier of |
| IE | begrensde aandoening van 1 extralymfatisch orgaan of gebied |
| II | aandoening van 2 of meer lymfklierstations (eventueel aan te geven als II2 of II3 etc.) aan dezelfde zijde van het diafragma of |
| IIE | van 2 of meer lymfklierstations en een begrensde aandoening van een extralymfatisch orgaan of gebied aan dezelfde zijde van het diafragma |
| III | aandoening van lymfklierstations aan beide zijden van het diafragma, eventueel vergezeld van: |
| IIIE | een begrensde aandoening van een extralymfatisch orgaan of |
| IIIs | aandoening van de milt of |
| IIIEs | beide |
| IV | diffuse/gedissemineerde aandoening van 1 of meerdere extralymfatische organen of gebieden (te specificeren door een symbool) met of zonder aandoening van lymfklieren. |
Onderverdeling van alle stadia in A en B (aan te geven als suffix):
| A | geen klachten |
| B | onverklaarde vermagering (> 10% van lichaamsgewicht binnen 6 maanden) en/of onverklaarde koorts > 38ºC langer dan een week en/of profuus nachtzweten |
Positieve milt bij maligne lymfoom: onmiskenbare palpabele splenomegalie, of twijfelachtige splenomegalie met op de CT scan of echo multipele focale defecten die niet op cysten of vaatafwijkingen berusten en PET positief zijn indien het lymfoom FDG avide is (zie verder bij FDG-PET) Een vergrote milt op de echo of CT alleen is onvoldoende voor de diagnose positieve milt.
Leveraantasting: multipele focale defecten die niet op cysten of vaatafwijkinge berusten, vastgelegd m.b.v. ten minste 2 imaging technieken en/of PET positief indien het lymfoom FDG avide is(zie bij PET scan). Hepatomegalie alléén of leverfunctiestoornissen alléén zijn onvoldoende voor de diagnose lever-involvement. In dat geval: leverbiopt doen.
Botaantasting: botscan/CT/MRI scans waar mogelijk bevestigd door FDG-PET.
Tot het lymfatisch apparaat behoren: lymfklieren, milt, thymus, ring van Waldeyer, plaques van Peyer, appendix.
Lokalisaties: Cervicaal en supraclaviculair aan één zijde geldt als één lokalisatie. Idem axillair en infraclaviculair aan één zijde. Mediastinum + hili gelden als één lokalisatie. Doorgroei in longweefsel vanuit een hilair- of mediastinaal klierpakket, dus per continuitatem, geldt als extranodale lokalisatie en niet als stadium IV.
Bulky disease (≥ 10 cm tumor diameter; > 0,35 Mediastinum/Thorax (MT) ratio) wordt met subscript 'X' aangegeven.
Extranodal disease met subscript 'E'.
Progression Free Survival (PFS) is the time interval between the date of start therapy, or date of first (or second) randomisation and the date of disease progression or death, whichever comes first. If neither event has been observed, then the patient is censored at the date of the last follow up examination.
Overall Survival (OS) is the time interval between the date of start therapy, or date of first randomisation and the date of death. Patients who were still alive when last traced are censored at the date of the last follow up.
The response groups are:
Hieronder volgt de tekst van de zogenaamde Cheson criteria, zoals gehanteerd door de HOVON Werkgroep Maligne Lymfomen. Het is belangrijk de nieuwe plaats van PET en de rol van flowcytometrie en immunohistochemie van beenmerganalyses te registreren.
Response to treatment will be evaluated after the end of chemotherapy and at relapse. Evaluation of response will be done according to the International Workshop to Standardize Response Criteria for Non-Hodgkin's Lymphoma (Cheson et al., 2007).
The following criteria are considered anatomic definitions (Table 1). PET is strongly commended before treatment for patients with routinely FDG-avid, potentially curable lymphomas. PET is essential for the post-treatment assessment of DLBCL and Hodgkin lymphoma. One has to be aware of false-positive PET results related to rebound thymic hyperplasia, infections, inflammation, sarcoidosis, or brown fat. Diffusely increased BM uptake is often seen after G-CSF. False-negative results are related to the resolution of the equipment, technique and variability of FDG avidity among histologic subtypes.
If the bone marrow was involved by lymphoma before treatment, the infiltrate must be cleared on repeat bone marrow aspirate and biopsy of the same site. The sample on which this determination is made must be adequate (> 20 mm biopsy core). If the sample is indeterminate by morphology, it should be negative by immunohistochemistry. A sample that is negative by immunohistochemistry but that demonstrates a small population of clonal lymphocytes by flow cytometrie will be considered a CR until data become available demonstrating a clear difference in patient outcome.
B. Unconfirmed (CRu). This entity can be eliminated.
Table 1. Response Criteria for Non-Hodgkin's Lymphoma
| Response Category | Physical Examination | Lymph Nodes | Lymph Node Masses | Bone Marrow |
|---|---|---|---|---|
| CR | Normal | Normal | Normal | Normal |
| PR | Normal | Normal | Normal | Positive |
| Normal | ≥ 50% decrease | ≥ 50% decrease | Irrelevant | |
| Decrease in liver/spleen | ≥ 50% decrease | ≥ 50% decrease | Irrelevant | |
| Relapse/ progression | Enlarg.liver/spleen/new sites | New/increased | New/increased | Reappearance |
In case of relapse after initial complete remission the following information will be registered:
In de nieuwe CHESON guidelines 2007 is de rol van de FDG-PET scan nu zorgvuldig gedefinieerd voor het evalueren van responsen na therapie. De komende jaren zal in de nieuwe studies (EORTC (Hodgkin) H10 studie, meerdere HOVON NHL studies) de PET scan gebruikt gaan worden bij de response meting tijdens therapie. Bij het Hodgkin lymfoom en recidief agressief NHL wordt inmiddels aangenomen dat een positieve scan halverwege (re-)inductietherapie voorspellend is voor een slechte prognose (Schot et al., 2003; Gallamini et al., 2007). Meerdere groepen hebben dezelfde ervaring wanneer PET wordt toegepast bij de initiële therapie halverwege R-CHOP (-like) bij het agressieve NHL (Juweid et al., 2005; Juweid en Cheson, 2005). Echter, deze data zijn nog onvoldoende uitgekristalliseerd voor PET-geleide sturing van de behandeling buiten studie verband.
PET lijkt zeer bruikbaar om bij evaluatie van tumorrespons onderscheid te maken tussen CR en PR wanneer sprake is van residuale massa’s na afloop van chemotherapie en radiotherapie, rekening houdend met het type lymfoom en pre-treatment PET gegevens (zie hierboven). Belangrijk is daarbij rekening te houden met vals-positieve uptake in het geval van rebound thymus hyperplasie, of ontstekingsprocessen. Wanneer G-CSF is gebruikt, zal de beenmerguptake sterk toenemen, hetgeen wel eens abusievelijk als lymfoomactiviteit is geïnterpreteerd. Na radiotherapie kan de PET het beste 6-8 weken na de bestraling worden gemaakt.
Zie ook Profylaxe en behandeling van meningeale leukemie en lymfoom.
VERWANTE PAGINA'S:
- Pathologisch onderzoek van maligne lymfomen
- Hodgkin lymfoom
- Non-Hodgkin lymfomen (NHL): inleiding
- NHL: lymfoblastair/precursor B en T
- NHL: lymfocytair lymfoom/CLL
- NHL: folliculair lymfoom graad 1 en 2
- NHL: folliculair lymfoom graad 3
- NHL: nodaal en extranodaal marginale zone lymfoom (MALT-type)
- NHL: lymfoplasmocytair lymfoom / ziekte van Waldenström
- NHL: diffuus grootcellig B-cellymfoom
- NHL: Burkitt-lymfoom
- NHL: mantelcellymfoom
- NHL: perifeer T-cellymfoom
- NHL: primair in het zenuwstelsel
- NHL: bij aids of na transplantatie
- Lymfomen van de huid
LINKS IN DEZE PAGINA:
-
Profylaxe en behandeling van meningeale leukemie en lymfoom
TRIAL-INFO VOOR DEZE PAGINA:
-
CNS-profylaxe en behandeling
CNS profylaxe via Ommaya/LP bij ALL
CNS profylaxe via Ommaya/LP bij NHL
CNS therapie via Ommaya/LP bij lymfatische meningeale leukemie
CNS therapie via Ommaya/LP bij myeloïde meningeale leukemie
© UMCG | Disclaimer