Datum laatste herziening: 18-11-2010
Hematopoietische stamceltransplantatie omvat het transplanteren van autologe of allogene hematopoietische cellen. In het transplantaat bevinden zich hematopoietische stamcellen die in staat zijn het hematopoietisch/immunologisch systeem te regenereren. Het transplantaat bestaat tegenwoordig meestal uit, middels G-CSF, gemobiliseerde hematopoietische stamcellen, maar kan ook een direct uit het beenmerg opgezogen celsuspensie zijn. Ook navelstrengbloed bevat cellen die in staat zijn het hematopoietisch/immunologisch systeem te regenereren. In het UMCG worden echter geen transplantaties verricht met hematopoietische cellen afkomstig van navelstrengbloed.
In dit hoofdstuk beperken we ons tot de allogene hematopoietische stamceltransplantatie. Allogene hematopoietische stamceltransplantatie kan worden onderverdeeld op basis van verwantschap van ontvanger en donor. In het UMCG worden transplantaten van zowel (HLA-identieke) verwante als niet-verwante donoren gebruikt. Een andere onderverdeling die men kan maken is gebaseerd op de intensiteit van de conditionering: myeloablatief versus non-myeloablatief. In geval van myeloablatieve conditionering is het therapeutische effect van de transplantatie afhankelijk van zowel de intensive chemo-/radiotherapie van de conditionering als ook het immunologische effect van het transplantaat (graft-versus-tumor). Bij de non-myeloablative conditionering heeft de lichte chemotherapie die wordt gebruikt voor de transplantatie nauwelijks anti-tumor effect en is bedoeld om het afweersysteem dusdanig te verzwakken teneinde allogene transplantatie mogelijk te maken (voorkómen van rejectie). Het therapeutische effect van de non-myeloablatieve hematopoietische stamceltransplantatie is vrijwel volledig gemedieerd door het graft-versus-tumor effect van het transplantaat. Er bevindt zich een heel spectrum van verschillende intensiteiten van conditionering tussen de uitersten van myeloablatieve en non-myeloablatieve conditionering.