Maagzuursecretie
Datum laatste herziening: 18-11-2010
In de setting van hematopoietische cel transplantatie
- eerstelijns therapie: antacida (calciumcarbonaat, of magnesium of aluminium hydroxides) en verhoging van het hoofdeinde van het bed.
- als symptomen persisteren: denk aan de differentiaal diagnose van een infectieuze oorzaak (gist of virale oesofagitis). Als infectieuze etiologie onwaarschijnlijk is, kan een proton-pomp remmer (PPI) worden gegeven. Echter, in de transplantatiesetting kan een PPI schadelijk zijn doordat zuurremming kan resulteren in bacterie- en schimmel/gist-kolonisatie en daardoor verhoogd risico op infecties van bovenste luchtweg en darmen. Daarom is het advies een PPI bij voorkeur voor een korte periode van 7 tot 10 dagen te geven. Verder dient de indicatie voor een PPI te worden beperkt tot patiënten met persisterende peptische oesofagitis of peptische zweer in maag/duodenum.
- de eerste 180 dagen na transplantatie geen H2 receptorantagonisten (Cimetidine, Ranitidine) geven (beenmerg voorlopercellen bevatten een H2 receptor en beenmergsuppressie is beschreven; tevens hebben H2 receptorantagonisten veel farmacologische interacties).
- Sucralfaat (Ulcogant) wordt niet aangeraden, omdat het ineffectief is gebleken in de behandeling van oesofagitis in de transplantatiesetting
Referentie
Larner A.J., and Hamilton M.I. Infective complications of therapeutic gastric acid inhibition. Aliment.Pharmacol.Ther. 1994, 8, 529-584.