Datum laatste herziening: 18-11-2010
HLA-identieke siblings die potentieel donor zouden kunnen zijn, worden gekeurd volgens protocol (hema- donor- F 02). Deze keuring omvat een anamnese, lichamelijk onderzoek, beenmergaspiraat en laboratoriumonderzoek (inclusief virusserologie).
Als na het keuringsonderzoek door de onafhankelijke keuringsarts wordt geconcludeerd dat de potentiële donor zonder gevaar voor zichzelf en de ontvanger van het transplantaat donor kan zijn en de donor het informed consent getekend heeft, dan is de potentiële donor een geschikte donor. Als bij potentiële donoren bij de keuring afwijkende bevindingen worden gevonden waardoor deze geen donor kan zijn, dan is het besluit van de keuringsarts bindend. In gevallen waarbij de keuringsarts niet kan inschatten of deze afwijkende bevindingen tot gevolg hebben dat er potentieel gevaar is a) voor de donor om donor te zijn, b) voor de ontvanger als de donor goedgekeurd wordt, dan wordt als volgt gehandeld:
Als een patiënt geen verwante donor heeft, zal worden gezocht naar een niet-verwante donor. In principe zal worden gestreefd naar een 10/10 donor met hoge resolutie HLA typering (moleculair 10/10). Dit betekent dat de HLA-A, -B, -C, DR, DQ loci moleculair identiek zijn. Als er geen 10/10 donor gevonden kan worden zullen, afhankelijk van de ernst van de ziekte van de patiënt, bepaalde mismatches (MM)geaccepteerd worden. Elke single locus mismatch gaat gepaard met ongeveer 10% minder overleving. Het spreekt voor zich dat ingeval van een ernstige ziekte met zeer beperkte kans op langdurige overleving een mismatch, die een grotere kans op behandeling gerelateerde overlijden geeft, wel geaccepteerd wordt. In dergelijke situaties zal ook navelstreng-bloed als transplantaat overwogen worden. Ook is het belangrijk zich af te vragen of het verder zoeken naar een betere donor opweegt tegenover het risico dat de ziekte in de tussenperiode progressie vertoont. Het is gebleken dat er na 3 maanden zoeken nauwelijks nog kans is op het vinden van een betere donor.
Er zijn een aantal observaties, gedaan bij myeloablatieve conditionering, die de verschillende mismatches in perspectief plaatsen. In de eerste plaats geven single MM op het HLA-B of HLA-C locus betere resultaten dan MM op het HLA-A of HLA-DRB1 locus in geval van myeloablatieve conditionering. In de tweede plaats lijken single MM op het HLA-DQ en DP locus geen effect te hebben op overleving. Wel hebben MM op het HLA-DQ locus effect op overleving in combinatie met andere MM. In de derde plaats is er opvallend genoeg geen verschil in allel of antigen mismatches voor de verschillende single MM, behalve voor het HLA-C locus. Dus een allel MM op het HLA-C locus heeft de voorkeur boven een antigen MM op het HLA-C locus.
De situatie lijkt anders bij niet-myeloablatieve conditionering. Bij niet-myeloablatieve conditionering lijken MM op het HLA-C locus juist gepaard te gaan met een slechtere overleving.
Als er meerdere potentiele 10/10 donoren zijn dan zal de keus afhangen van het HLA-DP locus en de criteria zoals hierboven genoemd voor familiedonoren (jongste, CMV negatief, ABO-compatibel en geen vrouwelijke-donor voor man). Als er wel mismatches zijn zullen de overwegingen zoals hierboven besproken worden meegewogen.
De keuring van een niet-verwante donor wordt gedaan door het donorcentrum.
VERWANTE PAGINA'S:
- Indicaties allogene stamceltransplantatie
- Rode bloedcel- en HLA-fenotypering
- Gesprek ontvanger, hematoloog en transplantatiecoördinator
- Pre-transplantatie-evaluatie ontvanger
- Gesprek transplantatiecoördinator en ontvanger
- Gesprek donor en hematoloog
- Pre-transplantatie-evaluatie donor
- Gesprek transplantatiecoördinator en donor
- Planning donor
© UMCG | Disclaimer